Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 13-6169 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:2040

Inhoudsindicatie
Uit onder meer de door appellant ingediende medische gegevens volgt dat aan het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen, een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. De Raad ziet, met het oog op finale geschilbeslechting, aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen een nader onderzoek in te stellen. Termijn van 6 weken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-26
Zaaknummer
13-6169 WIA-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6169 WIA-T

Datum uitspraak: 2 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2013, 13/1035 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. J.A.C. van Etten, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 12 september 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 13 november 2012 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van

14 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig was, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante niet zelf heeft gezien en geen rekening is gehouden met de CIZ-indicatie van 9 juli 2012 en de brief van [naam] van het RIBW. De meest actuele informatie over de psychische klachten is gedateerd, zijnde de brief van psycholoog J.J.C. Derwig van 28 september 2012, welke brief bovendien niet is meegenomen in de beoordeling. Appellante heeft getracht informatie bij psychiater

J.H.A.M. Tuerlings op te vragen, maar deze heeft in zijn brief van 13 juni 2013 meegedeeld geen informatie te willen verstrekken. Het Uwv had daarom volgens appellante informatie bij de psychiater dienen op te vragen. Voorts voert appellante aan dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende rekening is gehouden met zowel haar fysieke als psychische beperkingen. De fysieke klachten van appellante zijn, na het lichamelijk onderzoek dat in 2009 is uitgevoerd, toegenomen. Verder bestaat aanleiding voor een urenbeperking op grond van deelname aan therapieën en begeleiding door de stichting MEE, waardoor appellante feitelijk geen 40 uren kan werken. Appellante verzoekt een onafhankelijk deskundige in te schakelen. Tot slot voert appellante aan dat een administratieve functie ongeschikt is voor haar, omdat zij haar eigen administratie niet kan bijhouden.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) komt, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn, kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BS1122).


4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 januari 2013 niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat onvoldoende rekening is gehouden met haar gezondheid op 13 november 2012. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of de diagnose posttraumatische stress-stoornis (PTSS) per thans in geding zijnde datum, 13 november 2012, wel of niet in remissie was.


4.3.

Ten aanzien van de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek overweegt de Raad dat de verzekeringsarts op 17 augustus 2012 een psychisch onderzoek en een zeer beperkt lichamelijk onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht. Daarbij heeft hij onder andere de brief van psychiater Tuerlings van

9 februari 2012 en de brief van psycholoog Derwig van 28 september 2012, waarin als diagnose PTSS nu in remissie en ADHD worden genoemd, in zijn beoordeling betrokken. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak vermeldt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante niet op een hoorzitting gezien. Appellante heeft in beroep onder andere een brief van psychiater Tuerlings van 13 juni 2013 overgelegd, waarin de psychiater vermeldt dat hij geen gegevens kan verstrekken aan de gemachtigde van appellante omdat in het algemeen geadviseerd wordt geen medische gegevens over patiënten te verstrekken aan derden, tenzij het collega’s zijn die op de een of andere manier bij de behandeling dan wel bij de keuring van een patiënt zijn betrokken. Voorts heeft appellante in hoger beroep een brief van psychiater J.A. van Waarde van 1 augustus 2013 overgelegd waarin staat dat bij appellante de diagnose PTSS met veel angstklachten is gesteld en een mailbericht van huisarts L. Willems van 10 april 2015 waarin onder meer staat dat de PTSS blijkbaar slechts tijdelijk in remissie was. Hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 16 april 2015 gereageerd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wijzen de brieven van psychiater Tuerlings van 9 februari 2012 en de brief van psycholoog Derwig van 28 september 2012 in samenhang met overige gegevens niet in de richting van een tot beperkingen aanleiding gevende PTSS op datum in geding. Niet ontkend wordt dat op enig moment de diagnose PTSS is gesteld, zoals door psychiater Van Waarde in zijn brief van 1 augustus 2013 is aangegeven, maar een medische reden voor het aannemen van verdergaande beperkingen op basis van een PTSS op 13 november 2012 wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onderkend. De verklaring van de huisarts dat de PTSS blijkbaar slechts tijdelijk in remissie was wordt op de datum in geding niet ondersteund met de reeds aanwezige informatie van uit de psychiatrie. De Raad acht deze toelichting door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet overtuigend. Daarvoor is van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante niet op een hoorzitting heeft gezien en hij appellante derhalve niet psychisch, noch lichamelijk heeft onderzocht en dat appellante tijdens de hoorzitting nieuwe medicatie heeft overgelegd waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de overwegingen van zijn rapport van 9 januari 2013 niet ingaat. De informatie van de psychiater en de psycholoog dateert van enige tijd voor de datum in geding, namelijk

9 februari en 28 september 2012. Datzelfde geldt voor het onderzoek van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat op de datum in geding, 13 november 2012, sprake is van een in remissie zijnde PTSS. Dit klemt te meer nu uit de informatie van de huisarts van 10 april 2015 en van Van Waarde van

1 augustus 2013 naar voren komt dat de PTSS op enig moment niet (meer) in remissie was. Appellante heeft ter zitting verteld dat zij altijd onder psychiatrische behandeling is gebleven. De ter zitting gegeven toelichting dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van een verslechtering die echter niet tot meer beperkingen heeft geleid, volgt niet uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De brief van Tuerlings van 13 juni 2013, in samenhang met de overige beschikbare informatie, had dan ook aanleiding moeten zijn bij hem informatie in te winnen, juist omtrent de datum in geding.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat aan het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen, een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. De Raad ziet, met het oog op finale geschilbeslechting, aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen een nader onderzoek in te stellen. Het Uwv dient de medische beoordeling nogmaals te doen, waarbij een psychisch onderzoek dat betrekking heeft op de in deze zaak in geding zijnde datum, 13 november 2012, dient plaats te vinden. Tevens dient informatie bij psychiater Tuerlings te worden ingewonnen over de psychische gesteldheid van appellante op 13 november 2012. Gelet op het feit dat een uitgebreid lichamelijk onderzoek van appellante laatstelijk in 2009 is verricht en appellante heeft gesteld dat haar lichamelijke beperkingen zijn toegenomen, dient ook een lichamelijk onderzoek plaats te vinden. Vervolgens dient vastgesteld te worden of er aanleiding is de belastbaarheid van appellante per 13 november 2012 bij te stellen. Daarbij acht de Raad het aangewezen die beoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep te laten uitvoeren die nog niet in een eerder stadium bij de beoordeling van deze zaak betrokken is geweest.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 14 januari 2013 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.



(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) V. van Rij




NK