Centrale Raad van Beroep, 25-06-2015 / 13-1600 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:2049

Inhoudsindicatie
Het college heeft, onder verwijzing naar het advies van de functiehuisdeskundige van 13 juni 2011, terecht en op goede gronden de door appellante gewenste inpassing in de functiefamilie Publieksfunctie en met het functieprofiel Vakspecialist Publieksfunctie A van de hand gewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-25
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
13-1600 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1600 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 februari 2013, 12/1414

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. S.J. Brunia hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. drs. A.R. Koops het hoger beroep nader toegelicht en heeft

R. [naam zoon appellante], zoon van appellante, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met het onderzoek in de zaken 13/5394 AW en 13/5395 AW, plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam zoon appellante]. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. In de zaken 13/5394 AW en 13/5395 AW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 23 januari 2002 is appellante met ingang van 1 januari 2002 in vaste dienst aangesteld als administratief medewerker C (schaal 5) bij de dienst Stedebouw en Volkshuisvesting. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 april 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 mei 2010, is appellante in verband met een reorganisatie per 1 april 2006 geplaatst in de functie van administratief medewerker C

(schaal 5). Laatstgenoemd besluit is uiteindelijk bij uitspraak van de Raad van 2 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9443) in rechte onaantastbaar geworden. Op het tegen die uitspraak gerichte herzieningsverzoek is bij uitspraak van heden in de zaken 13/5394 AW en 13/5395 AW afwijzend beslist.


1.2.

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college appellantes functie van administratief medewerker C in het kader van het nieuwe Concernbrede Functiehuis van de gemeente Rotterdam ingepast in de functiefamilie Ondersteuning met het functieprofiel Vakman A (Schaal 5).


1.3.

Bij besluit van 17 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 oktober 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Bij de inpassing van een functie in één van de generieke profielen van het functiehuis is de laatste beschrijving van de functie in de vorm van een functiebeschrijving leidend. Niet gebleken is dat de functie van administratief medewerker C werkzaamheden bevat die vallen binnen de definitie van de functiefamilie Publieksfunctie dan wel het functieprofiel Vakspecialist Publieksfunctie A (schaal 8). De werkzaamheden van de functie van administratief medewerker C zijn in hoofdzaak aan te merken als ondersteunend aan het primaire proces. Er is dan ook geen twijfel aan het advies van de functiehuisdeskundige tot handhaving van de bestreden inpassing. De bezwaren van appellante richten zich in feite op het plaatsingsbesluit van 25 april 2006, waarbij zij met ingang van 1 april 2006 is geplaatst in de functie van administratief medewerker C. Die bezwaren moeten hier echter buiten beschouwing blijven.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.


3.1.

Een inpassing als de onderhavige moet naar vaste rechtspraak van de Raad

(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3562) terughoudend worden getoetst. Die toetsing is, naast de overigens in aanmerking komende toetsing aan regels van geschreven en ongeschreven recht, beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat pas tot vernietiging van het bestreden besluit kan worden overgegaan als deze inpassing als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat inpassing in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel op zichzelf denkbaar en verdedigbaar is.


3.2.

Voorop gesteld wordt dat voor de inpassing in het kader van het Concernbrede Functiehuis de formele functie(beschrijving) leidend is en niet de feitelijk verrichte werkzaamheden. Vast staat dat de formele functie van appellante voorafgaand aan de inpassing die van administratief medewerker C was. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inpassing van de functie administratief medewerker C (schaal 5) in de functiefamilie Ondersteuning met het functieprofiel Vakman A (Schaal 5) als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Het college heeft, onder verwijzing naar het advies van de functiehuisdeskundige van 13 juni 2011, terecht en op goede gronden de door appellante gewenste inpassing in de functiefamilie Publieksfunctie en met het functieprofiel Vakspecialist Publieksfunctie A van de hand gewezen.


3.3.

Appellante heeft (opnieuw) betoogd dat haar bij de besluiten van 23 januari 2002 en

25 april 2006 geen recht is gedaan en dat als gevolg hiervan de inpassing op een onjuiste functie met een te lage schaal is gebaseerd. Dit betoog kan niet slagen. Zoals blijkt uit 1.1 staan beide genoemde besluiten in rechte vast, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de inpassing ten onrechte is geschied op basis van de functie van administratief medewerker C. De gronden die appellante in het kader van de inpassing heeft aangevoerd in verband met genoemde twee besluiten, kunnen en zullen verder dan ook buiten bespreking blijven.


3.4.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin slagen. De personen met wie appellante zich vergelijkt, waren ten tijde van de inpassing immers niet aangesteld als administratief medewerker C met schaal 5, zoals appellante, maar hadden een andere functie met een hogere schaal. Van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.

3.5.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2015.





(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) S.W. Munneke




HD