Centrale Raad van Beroep, 23-06-2015 / 14-2152 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2058

Inhoudsindicatie
Maatregel: weigering deelname aan project tot arbeidsinschakeling. Intrekking en terugvordering: geen hoofdverblijf op uitkeringsadres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
14-2152 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2152 WWB, 14/2154 WWB, 14/2155 WWB

Datum uitspraak: 23 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 maart 2014, 13/3400, 13/6260 en 13/6261 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Namens appellante is verschenen mr. Van Doleweerd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.N. Collignon.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


Maatregel


1.1.

Appellante heeft zich op 3 juli 2012 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij de intake is met appellante gesproken over het project Morgen Beginnen (project). Tijdens dit gesprek heeft appellante te kennen gegeven dat zij tien weken zwanger is en in verband daarmee niet kan werken. Op verzoek van het college heeft de verzekeringsarts, J. Kuckelkorn, op 23 juli 2012 een medisch onderzoek verricht naar de belastbaarheid en beperkingen van appellante. De verzekeringsarts heeft in een rapportage van 23 juli 2012 vastgesteld dat appellante, medisch gezien, in staat is om gedurende

20-25 uur per week, maximaal vier tot vijf uur per dag, werkzaamheden te verrichten. Geadviseerd wordt om geen zwaar fysiek werk te verrichten, zoals zwaar tillen, duwen of trekken, maar rustig - mogelijk administratief - werk te verrichten. Vervolgens heeft op 26 juli 2012 een gesprek met appellante plaatsgevonden over deelname aan het project, waarbij is meegedeeld dat rekening kan worden gehouden met de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Tijdens dit gesprek heeft appellante wederom deelname aan het project geweigerd.


1.2.

Bij besluit van 6 september 2012 heeft het college aan appellante met ingang van 3 juli 2012 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Voorts heeft het college bij dat besluit, bij wijze van maatregel, de bijstand van appellante met ingang van 3 juli 2012 voor de duur van één maand met 100% verlaagd op de grond dat appellante heeft geweigerd om algemeen geaccepteerd werk te aanvaarden bij het project.


1.3.

Bij besluit van 24 mei 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 september 2012 gedeeltelijk gegrond verklaard en de maatregel gewijzigd in een verlaging van de bijstand met € 300,-. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante verwijtbaar geen gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.


Intrekking en terugvordering


1.4.

Per 28 november 2012 staat appellante in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, nu Basisregistratie personen) ingeschreven op het adres

[adres nr.] 42 te [woonplaats] (uitkeringsadres). Op 6 februari 2013 is appellante bevallen van een dochter. Appellante heeft bij het college geen melding gemaakt van de geboorte van haar dochter. In verband met de verhuizing en de wijziging van de gezinssamenstelling heeft er op 18 april 2013 een gesprek met appellante plaatsgevonden. Aangezien appellante tijdens dit gesprek geen duidelijkheid kon verschaffen over haar woonsituatie heeft de fraudeconsulent van de gemeente Amersfoort een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de fraudeconsulent dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd en verbruiksgegevens van water, gas en elektriciteit opgevraagd. Voorts heeft de fraudeconsulent samen met de klantmanager een buurtonderzoek verricht en op 22 april 2013 een huisbezoek gebracht aan de woning op het uitkeringsadres. Voorts hebben zij appellante op 26 april 2013 gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage intensief controle-onderzoek van 26 april 2013.


1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

5 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2013 (bestreden besluit 2), de bijstand van appellante met ingang van 28 november 2012 in te trekken en de over de periode van 28 november 2012 tot en met 8 april 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.386,71 van haar terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante niet haar hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres en dat zij, door hiervan geen melding te maken bij het college, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Maatregel


4.1.

Niet in geschil is dat het project een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening is als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Evenmin is in geschil dat appellante deelname aan het project heeft geweigerd. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat haar van deze weigering geen verwijt kan worden gemaakt.


4.2.

Uit de onder 1.2 genoemde rapportage van de verzekeringsarts volgt dat appellante

- rekening houdend met haar beperkingen - medisch gezien in staat was om gedurende 20-25 uur per week, maximaal vier tot vijf uur per dag, werkzaamheden te verrichten. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze rapportage wat de wijze van totstandkoming betreft of naar inhoud niet deugdelijk zou zijn. Het gegeven dat de verzekeringsarts geen informatie heeft opgevraagd bij haar behandelend gynaecoloog maakt, anders dan appellante heeft gesteld, niet dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en heeft appellante op het spreekuur gezien. Indien de verzekeringsarts meent dat voldoende medische informatie voorhanden is om te kunnen adviseren, bestaat er geen verplichting om contact op te nemen met de behandelend arts(en). In de bezwaarfase heeft appellante gegevens overgelegd van haar behandelend gynaecoloog, waarbij tevens melding is gemaakt van haar medische voorgeschiedenis. Uit de nadere rapportage van de verzekeringsarts van 17 januari 2013 blijkt dat hij ten tijde van de rapportage van 23 juli 2012 door de verklaringen van appellante op het spreekuur bekend was met haar persoonlijke omstandigheden en medische voorgeschiedenis, dat hij deze aspecten heeft meegewogen in zijn advisering en dat de overgelegde gegevens geen aanleiding geven het advies te wijzigen. Voorts kan, anders dan appellante heeft betoogd, uit de door haar overgelegde medische gegevens niet worden afgeleid dat haar gynaecoloog haar geadviseerd zou hebben niet te werken. Van tegenstrijdige adviezen van enerzijds haar behandelend gynaecoloog en anderzijds de verzekeringsarts is dan ook niet gebleken.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat ten aanzien van de verweten gedraging niet gezegd kan worden dat bij appellante elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand in overeenstemming met de verordening te verlagen. Het daartegen gerichte hoger beroep slaagt niet.


Intrekking en terugvordering


4.4.

De te beoordelen periode loopt van 28 november 2012 tot en met 5 juni 2013. Tussen partijen is uitsluitend in geding of voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat appellante niet haar hoofverblijf had op het uitkeringsadres.


4.5.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.6.

De vraag waar iemand zijn woonadres en hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres en hoofdverblijf te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


4.7.

Anders dan appellante betoogt, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat appellante vanaf 28 november 2012 tot en met 5 juni 2013 niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Appellante heeft verklaard dat zij na de verhuizing, voorafgaand aan de bevalling op 6 februari 2013 en tijdens de kraamtijd bij haar moeder heeft verbleven. Tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres op 22 april 2013, dus ruim na de kraamtijd, is geconstateerd dat de woning nog niet was ingericht - er werd alleen een matras, dozen, onderdelen van een bed en gereedschap aangetroffen - en dat de koelkast niet was aangesloten. Kleding, toiletartikelen, linnengoed en etenswaren waren niet aanwezig. Uit de opgevraagde verbruiksgegevens van het uitkeringsadres blijkt voorts dat over de periode van 27 november 2012 tot 26 april 2012 sprake is geweest van een waterverbruik van 1 m3. Dit extreem lage verbruik kan, anders dan appellante stelt, niet worden verklaard uit de omstandigheid dat zij in de periode voor haar bevalling en gedurende de kraamperiode bij haar moeder heeft verbleven. Voorts bieden de verklaringen van de buurtbewoners van het uitkeringsadres steun voor de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Twee bewoners van [adres nr.] 40 te [woonplaats] hebben verklaard dat de woning op nummer 42 niet wordt bewoond. Zij zien af en toe wel verschillende mannen die de woning komen opknappen. Een bewoner van [adres nr.] 5, gelegen tegenover het uitkeringsadres, heeft verklaard dat hij het idee had dat de woning vanaf december 2012 verhuurd was, omdat er een man of 12 de woning binnengingen. Tot afgelopen weekend heeft hij er nooit mensen zien verblijven. Anders dan appellante betoogt, zijn de verklaringen van de omwonenden van het uitkeringsadres gebaseerd op voldoende feiten, die zij zelf hebben waargenomen.

4.8.

Appellante heeft bij het college geen melding gemaakt van het feit dat zij niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, waardoor zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Anders dan appellante betoogt was als gevolg daarvan het recht op bijstand niet vast te stellen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de te beoordelen periode op het adres van haar moeder heeft verbleven. De stelling dat bekend was dat zij bij haar moeder verbleef en een verwijzing naar pinbetalingen is daartoe onvoldoende.


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD