Centrale Raad van Beroep, 23-06-2015 / 14-1616 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2059

Inhoudsindicatie
Op geld waardeerbare werkzaamheden. Gehouden aan gespreksverklaring.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-30
Zaaknummer
14-1616 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1616 WWB

Datum uitspraak: 23 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 januari 2014, 13/3067 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Voor appellant is mr. Van Zundert verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 31 december 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant werkt bij [naam autohandel] autohandel in [plaatsnaam] ([naam autohandel]), heeft de afdeling bijzondere onderzoeken van de gemeente Rotterdam (abo) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de abo onder meer dossieronderzoek gedaan, hebben medewerkers van de abo op 26 juli 2012 en 3, 4 en 6 augustus 2012 waarnemingen uitgevoerd en ten slotte een gesprek gevoerd met appellant. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in rapporten van

15 juni 2012 en 23 augustus 2012. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 september 2012 de bijstand met ingang van 26 juli 2012 in te trekken en de over de periode van 26 juli 2012 tot en met 31 augustus 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.061,09 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de grondslag dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Hij heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door dat niet te melden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.3.

Het college heeft het tegen het besluit van 12 september 2012 gerichte bezwaar bij besluit van 28 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In geschil is eerst of het college het gespreksverslag en de waarnemingen aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.


4.1.2.

Wat betreft de waarnemingen geldt dat de stukken - anders dan appellant betoogt - geen aanknopingspunt bieden voor het standpunt dat sprake is van een persoonsverwisseling. Volgens appellant is de man die de sociaal rechercheurs tijdens de waarnemingen hebben gezien en gesproken [B.] (B), de eigenaar van garagebedrijf [naam garagebedrijf], welk garagebedrijf in hetzelfde pand gevestigd was als [naam autohandel]. De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat uit de rapportage van 23 augustus 2012 blijkt dat de sociaal rechercheurs verklaren dat zij een man hebben gezien en gesproken met speciale plateauzolen. Anders dan appellant betoogt, volgt uit de door B ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring niet dat sprake is van een persoonsverwisseling. B heeft weliswaar verklaard dat hij wel vaker hoort dat hij en appellant op elkaar lijken, maar ook dat hij - afgezien van een periode van

6 weken nadat hij in maart 2012 zijn been had gebroken, welk been in het gips zat - en anders dan appellant geen speciale schoenen draagt.


4.1.3.

Met betrekking tot het gespreksverslag heeft appellant betoogd dat het rapport van

23 augustus 2012 een onjuiste weergave bevat van de door hem afgelegde verklaring. De Raad gaat er echter van uit dat het rapport van 23 augustus 2012 een juiste weergave bevat van de aanvankelijk tegenover de sociaal rechercheur van de abo afgelegde verklaring. Appellant heeft in eerste instantie een uitvoerige en gedetailleerde verklaring afgelegd. In het gespreksverslag zijn zowel alle vragen als de daarop gegeven antwoorden opgenomen. Wat appellant later ter ontkrachting van die verklaring naar voren heeft gebracht is onvoldoende om aan de juiste weergave van de eerdere verklaring te twijfelen. Hierbij is van belang dat de in het gespreksverslag opgenomen verklaring overeenstemt met de waarnemingen zoals die hebben plaatsgevonden en met wat appellant op 26 juli 2012 tijdens de eerste waarneming tegen de sociaal rechercheurs heeft verteld.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het college het gespreksverslag en de waarneming aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Die stukken bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode, die loopt van 26 juli 2012 tot en met

12 september 2012 (te beoordelen periode) op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Uit het verslag dat is opgemaakt van het gesprek dat appellant op 23 augustus 2012 met een sociaal rechercheur van de abo had, komt naar voren dat appellant heeft verklaard dat hij iedere dag aanwezig is bij [naam autohandel] en dat hij in de maand mei of juni 2012 de sleutel van de garage heeft gehad en de garage in die periode opende. In het gespreksverslag staat ook dat appellant heeft verklaard dat hij in de garage werkzaamheden verricht aan zijn eigen auto. Dat appellant - anders dan hij eveneens heeft verklaard - ook werkzaamheden ten behoeve van [naam autohandel] heeft verricht, blijkt uit de waarnemingen die hebben plaatsgevonden. Uit de rapportage die daarvan is opgemaakt blijkt dat appellant sociaal rechercheurs, werkzaam bij de abo, op 26 juli 2012 als klant te woord heeft gestaan en hen heeft geholpen. Hij heeft deze sociaal rechercheurs verteld dat hij elke dag aanwezig is en diverse werkzaamheden verricht bij [naam autohandel]. De sociaal rechercheurs hebben op 4 en 6 augustus 2012 gezien dat appellant ook andere klanten te woord stond.


4.3.

De omstandigheid dat appellant arbeidsongeschikt is verklaard, houdt - anders dan appellant betoogt - niet in dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden kan hebben verricht. Uit de waarnemingen en uit de door appellant afgelegde verklaring volgt het tegendeel.


4.4.

Wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen wordt niet anders omdat het college appellant met ingang van 19 september 2012 opnieuw bijstand heeft toegekend. Het college wijst er in dit verband terecht op dat dit een andere periode betreft en ook dat inmiddels sprake was van gewijzigde omstandigheden. Appellant kwam niet meer bij [naam autohandel] of [naam garagebedrijf], had verklaringen overgelegd van de eigenaar van [naam autohandel] en van B, inhoudende dat hij niet bij hen in dienst is, en het college kon niet vaststellen dat hij nog werkzaamheden verrichtte. De stukken bieden geen aanknopingspunt voor het standpunt van appellant dat het college in het kader van deze aanvraagprocedure het standpunt heeft ingenomen dat appellant nooit op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellant stelt dat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft aangehouden om het college in de gelegenheid te stellen bij de behandelend ambtenaar van de nieuwe aanvraag na te vragen wat zijn standpunt was ten aanzien van de juistheid van de eerdere intrekking van bijstand, en dat het college dit ten onrechte heeft nagelaten. Het proces-verbaal van de zitting biedt daarvoor echter geen enkel aanknopingspunt. Daaruit blijkt dat de rechtbank de zaak heeft aangehouden zodat het college kon nagaan wat de afweging is geweest bij de toewijzing van de nieuwe aanvraag.


4.5.

Appellant heeft in hoger beroep voorts aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college niet tijdens de hoorzitting in bezwaar aanwezig was. Volgens appellant is daarmee het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Ook deze grond slaagt niet. Het college diende ingevolge artikel 7:13, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden uitgenodigd voor de hoorzitting, wat ook is gebeurd, maar was niet verplicht om gevolg te geven aan een uitnodiging om bij de hoorzitting aanwezig te zijn.


4.6.

Appellant heeft tot slot een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft dit beroep echter niet onderbouwd, zodat de Raad daar aan voorbijgaat.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD