Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 12-4251 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:206

Inhoudsindicatie
1) De rechtbank heeft het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen gronden hiertegen naar voren gebracht. 2) Weigering loonsanctie op te leggen. Niet gezegd kan worden dat in het onderzoek de mogelijkheden tot herplaatsing in een andere functie in het bedrijf onvoldoende zijn verkend of dat onvoldoende op de initiatieven en suggesties van appellant is gereageerd, zodat moet worden geoordeeld dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien de re-integratie-inspanningen voor mogelijkheden binnen het bedrijf onvoldoende of onzorgvuldig te achten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
12-4251 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/4251 WIA, 13/518 WIA

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

19 juni 2012 (aangevallen uitspraak 1) en 14 december 2012, 11/6007 en 12/3102 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 24 september 2014. Namens appellant is mr. D.S. de Ploeg, kantoorgenoot van mr. Vetter, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft zich vanuit zijn werk als keukenhulp in [restaurant] met ingang van 26 juni 2009 ziek gemeld. Bij besluit van 7 juni 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 24 juni 2011 geen uitkering krijgt op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verder is in dat besluit beslist dat de werkgever van appellant voldoende gedaan heeft aan de re-integratie van appellant en dat de werkgever daarom niet langer het loon aan hem hoeft door te betalen.


1.2.

Bij besluit van 15 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de afwijzing van de WIA-uitkering en tegen de beslissing dat de werkgever het loon van appellant niet langer hoeft door te betalen ongegrond verklaard.


2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen de afwijzing van de WIA-uitkering, niet-ontvankelijk verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 is het beroep van appellant, gericht tegen het niet opleggen van een zogenoemde loonsanctie aan de werkgever, ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij beroep heeft ingesteld tegen beide in het bestreden besluit vervatte beslissingen, namelijk die over de WIA-uitkering en die over het niet hoeven doorbetalen van zijn loon door de werkgever. Met betrekking tot aangevallen uitspraak 2 heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte ervan heeft afgezien zijn werkgever als getuige op te roepen. Verder heeft hij aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht om hem in het bedrijf te herplaatsen. Appellant had werk als keukenhulp kunnen doen, mits hij maar niet bij de afwasmachine hoefde te werken. Verder is, gelet op de opleidingen en het arbeidsverleden van appellant, ten onrechte geconcludeerd dat appellant niet in de bediening werkzaam zou kunnen zijn. Volgens appellant is de werkgever ook nalatig geweest in zijn re-integratie-inspanningen in het tweede spoor, zodat het Uwv ten onrechte aan de werkgever geen loonsanctie heeft opgelegd.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.




WIA-uitkering


4.1.

De Raad is, zij het op andere gronden, van oordeel dat de rechtbank het beroep, gericht tegen de afwijzing van de WIA-uitkering, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In het, door de professioneel gemachtigde van appellant ingediende, beroepschrift van

19 december 2011 tegen het bestreden besluit heeft appellant uitdrukkelijk en in expliciete bewoordingen vermeld dat het beroep zich richt tegen de weigering om de werkgever een loonsanctie op te leggen, waarbij appellant in het beroepschrift vervolgens zijn standpunt daarover heeft toegelicht. Op geen enkele wijze is in het beroepschrift uiting gegeven aan de nadien gestelde bedoeling van appellant ook op te komen tegen de afwijzing van de

WIA-uitkering. In de vermelding in het beroepschrift dat appellant verzoekt om hetgeen in de bezwaarprocedure werd aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen, kan in het licht van de uitdrukkelijke verdere bewoordingen in het geschrift geen aanknopingspunt worden gevonden om het beroepschrift mede gericht te achten tegen de beslissing over de

WIA-uitkering. Daartoe bestaat te minder aanleiding in het licht van het verslag van de hoorzitting van 15 september 2011, dat aan het bestreden besluit is voorafgegaan en waaruit blijkt dat appellant afziet van zijn uitkeringsclaims en dat het hem puur te doen is om de niet opgelegde loonsanctie. Nu appellant eerst in zijn aanvullend beroepschrift van 13 maart 2012, dus ruim buiten de beroepstermijn, heeft aangevoerd ook tegen de afwijzing van de

WIA-uitkering op te komen, moet het oordeel van de rechtbank worden onderschreven. De overige gronden in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 kunnen onbesproken blijven. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt niet.


Loonsanctie


4.2.

In rubriek 3 van aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het wettelijk beoordelingskader in zaken als deze uitvoerig weergegeven. Daarnaar wordt verwezen. Over hetgeen appellant tegen aangevallen uitspraak 2 heeft aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.


4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de functie als keukenhulp in de benedenkeuken voor appellant niet geschikt is, wordt onderschreven, evenals de overwegingen die de rechtbank daartoe heeft gegeven. De Raad heeft hierbij met name in aanmerking genomen dat in het onderzoeksrapport van ELABO van 23 februari 2010 naar de re-integratiemogelijkheden, dat tot stand is gekomen na gesprekken met de werkgever, met appellant en met hen samen, en na bezoek aan de werkruimten, gemotiveerd en inzichtelijk de werkruimte en werkomstandigheden in de benedenkeuken zijn beschreven. De mededeling van de bedrijfsarts van 3 mei 2010 dat appellant niet per definitie ongeschikt is om te werken in een keuken, was bij het deskundigenoordeel van arbeidsdeskundige

W. Schellekens van 10 mei 2010 bekend. Anders dan appellant stelt, hoefde uit deze beperkte mededeling van de bedrijfsarts, bezien in het licht van de overige gegevens, niet te worden afgeleid dat appellant wel in de benedenkeuken kon werken.


4.4.

Het standpunt van appellant dat de rechtbank de werkgever als getuige had moeten oproepen om vast te stellen dat hij jarenlang in de benedenkeuken als keukenhulp (niet aan de afwas) klachtenvrij heeft gewerkt, wordt niet gevolgd. Uit de gegevens van de huisarts van

28 juni 2011 blijkt niet dat appellant eerder dan vanaf 2009 long- en/of allergische problemen had, zodat de geschiktheid voor de functie in het verleden niet zonder meer betekenis heeft voor de nu beoordeelde situatie. Bovendien had appellant zelf de werkgever als getuige kunnen oproepen, waarna, bij niet verschijnen en indien de rechtbank daartoe aanleiding zag, toepassing had kunnen worden gegeven aan artikel 8:63, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


4.5.1.

Met betrekking tot de vraag of voldoende is onderzocht of appellant bij zijn werkgever een functie in de bediening zou kunnen uitoefenen, wordt het volgende overwogen. Uit het Beoordelingskader poortwachter blijkt dat bij de beoordeling of de werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht, onder meer door het Uwv aandacht wordt besteed aan de vragen:

- zijn de mogelijkheden tot werkhervatting, gegeven de functionele mogelijkheden van de werknemer, in voldoende mate in beeld gebracht?

- is voldoende rekening gehouden met de opleiding, ervaring en persoonlijke eigenschappen van de werknemer, en de mogelijkheid tot aanvullende opleiding en training?

- zijn de mogelijkheden tot herplaatsing in de eigen functie, zo nodig met aanpassingen, onderzocht?

- zijn de mogelijkheden tot een andere functie bij de eigen werkgever, zo nodig met aanpassingen en scholing, voldoende verkend?

Indien, zoals in dit geval, hervatten in eigen werk, al dan niet na aanpassing, verlichting of overdracht van taken, niet mogelijk is, ligt het primair op de weg van de werkgever te verkennen of ander werk in het bedrijf tot de mogelijkheden behoort. Daarbij zal hij in ieder geval op suggesties en initiatieven van de werknemer moeten ingaan en bezien of deze redelijkerwijs tot herplaatsing binnen het eigen bedrijf kunnen leiden.


4.5.2.

In het in 4.3 vermelde rapport van ELABO is de aard van het bedrijf en de personele samenstelling beschreven. Onderzocht is wat de verschillende werkzaamheden in de keukens inhouden, hoeveel personeel daar werkt en wat de werkomstandigheden zijn. Daarnaast is de geschiktheid van appellant voor een functie in de bediening in het onderzoek betrokken en is geconcludeerd dat zo’n functie geen optie is, gelet op de bezetting en de

(sociale vaardigheids)eisen die aan deze medewerkers worden gesteld. Nadrukkelijk is de suggestie van appellant om in de bovenkeuken te werken, onderzocht. Niet gezegd kan worden dat in dit onderzoek de mogelijkheden tot herplaatsing in een andere functie in het bedrijf onvoldoende zijn verkend of dat onvoldoende op de initiatieven en suggesties van appellant is gereageerd, zodat moet worden geoordeeld dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien de re-integratie-inspanningen voor mogelijkheden binnen het bedrijf onvoldoende of onzorgvuldig te achten. De al in de bezwaarprocedure door appellant naar voren gebrachte stelling dat de werkgever opnieuw had moeten bezien waarom appellant niet geschikt is voor een functie in de bediening, leidt niet tot een ander oordeel. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 november 2011 en in de aanvullende rapporten tijdens de rechtbankprocedure van 16 maart 2012, 3 juli 2012 en 17 oktober 2012 is afdoende gemotiveerd dat, gelet op de aard en het niveau van de functie in de bediening, de functionele mogelijkheden van appellant en de van de werkgever en werknemer te verwachten re-integratie-inspanningen, die functie niet verder in de beoordeling is betrokken. Daarbij merkt de Raad op dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van

17 oktober 2012 met juistheid de vraag over de geschiktheid voor de betreffende functie heeft bezien in het kader van de beoordeling achteraf van de re-integratie-inspanningen, zoals hierboven weergegeven onder 4.5.1.


4.6.

Dat de werkgever nalatig zou zijn geweest in het zogenoemde tweede spoor, zoals in hoger beroep gesteld, wordt niet gevolgd. De Raad verenigt zich met wat de rechtbank daarover in rubriek 4.12 van aangevallen uitspraak 1 heeft overwogen. Daaraan wordt toegevoegd dat niet valt in te zien dat in het eerste arbeidsongeschiktheidsjaar de

re-integratie-inspanning onvoldoende is geweest. De door appellant ter ondersteuning van zijn standpunt genoemde uitspraak van 18 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717) betrof, anders dan in dit geval, re-integratie-inspanningen in het tweede jaar. De Raad heeft in die zaak overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkgever in de aan de orde zijnde situatie, waarin al een aanzienlijke periode in het tweede arbeidsongeschiktheidsjaar was verstreken, naast het verrichten van re-integratie-inspanningen in het zogenoemde eerste spoor gehouden kan zijn de mogelijkheden bij een andere werkgever te bezien, bijvoorbeeld in geval het nog niet gekomen is tot gedeeltelijke werkhervatting in het eigen bedrijf en er ook geen uitzicht is dat dit op korte termijn gebeurt. Ook het beroep op de uitspraak van 14 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM1179) slaagt niet, aangezien in die zaak het oordeel dat van de werkgever kon worden gevergd dat deze het tweede spoor zou inzetten eveneens betrekking heeft op het tweede arbeidsongeschiktheidsjaar, en niet was ingegaan op adviezen van de arbodienst om het tweede spoor in te zetten of daarvoor voorbereidingen te treffen.


4.7.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet, zodat deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Nu het hoger beroep in geen van de twee zaken slaagt, is er geen plaats voor het toekennen van schadevergoeding. Er is evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraken;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) W. de Braal






MK