Centrale Raad van Beroep, 19-06-2015 / 13-6239 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:2063

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Deugdelijke medische grondslag. Zorgvuldige medische beoordeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-19
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
13-6239 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6239 WAO


Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 oktober 2013, 13/790 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Voor appellant is

mr. B. Arabaci, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

J. van Dalfsen.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is met ingang van 29 oktober 2003 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.


1.2.

Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek “Marque” heeft het Uwv in 2011 heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellant. Op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv heeft psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars bij appellant een psychiatrisch consult verricht. In zijn rapport van 17 mei 2011 heeft Trompenaars te kennen gegeven dat op basis van dit consult niet goed is in te schatten of bij appellant sprake is van psychiatrische problemen. Hij adviseert daarom een uitgebreide psychiatrische expertise. Vervolgens heeft psychiater M. van Egmond-van Es bij appellant onderzoek verricht en van haar bevindingen op 6 oktober 2011 verslag gedaan. In het rapport van 7 november 2011 heeft de verzekeringsarts op grond van alle beschikbare informatie geconcludeerd dat appellant belastbaar is volgens de door hem in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 november 2011 vastgelegde mogelijkheden en beperkingen. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 16 december 2011 de WAO-uitkering van appellant per

26 mei 2011 (datum in geding) herzien aangezien appellant voor 25-35% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Bij de beslissing op bezwaar van 4 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv na onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het besluit van 16 december 2011 gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen in voldoende mate de visie van de behandelend psychiater in hun beoordeling hebben betrokken. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat het Uwv nadere informatie van een nieuwe behandelaar had moeten afwachten. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat het Uwv rond de datum in geding een uitgebreide expertise heeft gevraagd. Nu voorts alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen, de aanwezige informatie van de behandelend sector en de expertises op een deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken bij de medische beoordeling, is de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek van het Uwv op zorgvuldige wijze is verricht. De rechtbank is tevens van oordeel dat de medische belastbaarheid door de verzekeringsartsen op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd en dat op inzichtelijke wijze is onderbouwd hoe zij tot de vaststelling van de beperkingen zijn gekomen. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beoordeling van de verzekeringsartsen onjuist is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundigen voldoende hebben gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de vastgestelde belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij op grond van zijn lichamelijke klachten en zijn psychische klachten met psychotische kenmerken volledig arbeidsongeschikt verklaard dient te worden. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant gewezen op een rapport van 28 februari 2011 van verzekeringsarts S. Knepper, uitgebracht op verzoek van de rechtbank ten behoeve van een procedure over de herstelmelding van appellant op

5 oktober 2009. Tevens heeft appellant een tweetal MRI-verslagen van 14 juli 2011 en

3 augustus 2011 ingezonden en een brief van 22 oktober 2013 van psychiater E.M. Bisseling over de behandeling van appellant vanaf mei 2012 tot en met november 2013. Appellant heeft de Raad verzocht om zo nodig door een onafhankelijk deskundige te worden beoordeeld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gronden van appellant in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van zijn gronden van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is met juistheid tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen niet onzorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de uitkomsten van dat onderzoek. Uit de informatie van appellants behandelaars is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid op de datum in geding. De Raad wijst daarbij op het rapport van

21 november 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin alle beschikbare gegevens waaronder het rapport van Knepper en ook van de behandelend sector inzichtelijk zijn besproken. De gegevens van Bisseling betreffen een periode vanaf een jaar na de datum in geding. Hieraan kan niet het gewicht worden toegekend dat appellant eraan gehecht wil zien, nu appellant rondom de datum in geding op verzoek van het Uwv ook is gezien door psychiater Trompenaars op 17 mei 2011 en door psychiater Van Egmond-van Es op

26 augustus 2011. Aan het rapport van Van Egmond-van Es valt te ontlenen dat zij op de hoogte was van de inhoud van het rapport van verzekeringsarts Knepper. Zij heeft inzichtelijk gemotiveerd hoe zij bij het vormen van haar oordeel daarmee rekening heeft gehouden. Van belang is dat het rapport door de verzekeringsarts Knepper is uitgebracht met het oog op de beoordeling van aanspraken van appellant op een uitkering op 5 oktober 2009 op grond van de Ziektewet. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.


4.2.

Door appellant zijn geen arbeidskundige gronden aangevoerd. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding gezien om de geschiktheid in medisch opzicht van de geselecteerde functies in twijfel te trekken.


4.3.

Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) P. Uijtdewillegen




NK