Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 13-1807 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:2072

Inhoudsindicatie
Beoordeeld dient te worden of bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de periodes waarin appellante heeft gewerkt voor een school in Duitsland. Appellante dient te worden aangemerkt als “betrokkene” in de zin van artikel 2 van het BBWO, nu zij tot 1 augustus 2011 in dienst was van een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van het BBWO. Tussen partijen is in geschil of appellante voldoet aan de voor het recht op een aansluitende uitkering vereiste “diensttijd”. Verdraagt het bestreden besluit zich met het Unierecht, in het bijzonder Vo 883/2004?. De minister heeft geen omstandigheden aangevoerd die kunnen wijzen op een relevant verschil tussen, enerzijds, de vorm van lager onderwijs waartoe de school in Duitsland behoort, waarvoor appellante heeft gewerkt en, anderzijds, het onderwijs in Nederland waarop het BBWO betrekking heeft. Sprake van een soortgelijk feit in de zin van artikel 5, onder b, van Vo 883/2004, waaraan het nationale recht rechtsgevolgen verbindt. De minister zal een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, onder toepassing van artikel 8:113, tweede lid, en toekenning pkv en gr. recht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
13-1807 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/1807 AW

Datum uitspraak: 12 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

25 februari 2013, 12/781 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M.W.H. Bedaux, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft drs. J.H.M. van der Hulst een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R.M. Bäumler. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Holtrigter en H. Hendriks.

De Raad heeft het onderzoek geschorst en de minister verzocht zijn standpunt nader te onderbouwen.

Namens de minister heeft drs. Van der Hulst een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Mr. Bedaux heeft namens appellante een schriftelijke reactie gegeven.

Op 1 mei 2015 heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bäumler. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Holtrigter en Hendriks.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 1 augustus 2011 werkloos geworden uit haar dienstbetrekking als groepsleerkracht bij [basisschool] in [X.]. Met ingang van 1 augustus 2011 is appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend en een aanvullende werkloosheidsuitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO). Voorts heeft de minister bij besluit van 13 december 2011 vastgesteld dat appellante geen recht heeft op aansluitende BBWO-uitkering in verband met de werkloosheid met ingang van 1 augustus 2011.


1.2.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 december 2011 is bij besluit van

16 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de overweging dat appellante niet als betrokkene in de zin van artikel 1, onder b, van het BBWO is aan te merken, omdat geen sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in de aanhef van artikel 1, onder b, van het BBWO.


2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante voor de periode waarin zij voor een school in Duitsland heeft gewerkt, op goede gronden niet als betrokkene is aangemerkt en de overwegingen van het bestreden besluit overgenomen.


3.1.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van de duur van de aansluitende BBWO-uitkering ten onrechte geen rekening is gehouden met de periodes waarin zij heeft gewerkt voor een school in Duitsland. Volgens appellante volgt uit het BBWO niet dat er geen recht op uitkering is indien is gewerkt voor een in het buitenland gevestigde school. Voorts stelt appellante dat de uitsluiting van periodes waarin zij werkte voor de school in Duitsland in strijd is met het internationale recht, in het bijzonder het Unierecht. De uitsluiting is in haar ogen een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit en strijdig met artikel 61 en artikel 65 van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004).


3.2.

De minister heeft het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit de toets aan het nationale en internationale recht kan doorstaan. Volgens de minister is er geen sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling naar nationaliteit of van een belemmering van het

- door het Unierecht gewaarborgde - recht op vrij verkeer van personen. In de visie van de minister kan het beroep op Vo. 883/2004 niet slagen omdat het in het BBWO gehanteerde begrip diensttijd wezenlijks anders is dan de - in Vo 883/2004 genoemde - begrippen vervulde tijdvakken van verzekering of van werkzaamheden in loondienst.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 1 (definities) van het BBWO luidt als volgt.

“In dit besluit wordt verstaan onder: (…)

b. betrokkene: degene die in dienstbetrekking staat of heeft gestaan als:

1. personeelslid als bedoeld in de artikelen 34 en 68 van de Wet op het primair onderwijs;

(…)

.i. diensttijd: de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking als bedoeld onder b (…), met uitzondering van de tijd voorafgaand aan een aaneengesloten periode van meer dan

14 maanden waarin de betrokkene niet een zodanige dienstbetrekking had. Voor de periode van 14 maanden, bedoeld in de vorige volzin, blijft een periode waarin de betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan zijn werkloosheid recht had op een uitkering op grond van de ZW, de WIA, de WAO of de WAZO, of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, buiten beschouwing; (…)


Artikel 2 (beperking aanspraken op grond van dit besluit) BBWO luidt als volgt.

“Voorzover in dit besluit niet anders is bepaald, geeft dit besluit geen aanspraken voorzover de betrokkene arbeidsuren heeft verloren uit een dienstbetrekking op grond waarvan hij geen betrokkene is.”


In artikel 8 (het recht op aansluitende uitkering), eerste lid, eerste volzin, BBWO is het volgende bepaald.

“De betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag voldoet aan de voorwaarde van artikel 42, tweede lid, WW, heeft zodra het einde van de duur van zijn WW-uitkering is bereikt recht op een aansluitende uitkering indien hij op de eerste werkloosheidsdag de leeftijd van 40 jaar heeft bereikt en een diensttijd heeft van tenminste 5 jaar.”


4.2.

Beoordeeld dient te worden of bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de periodes waarin appellante heeft gewerkt voor een school in Duitsland.


4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante tot 2 december 2005 heeft gewerkt als onderwijzeres voor verschillende onderwijsinstellingen in Nederland en met ingang van 5 december 2005 tot 2 juli 2009 enkele periodes in dienst van [werkgever] op een school in Duitsland heeft gewerkt. Voorts is niet in geschil dat zij vanaf januari 2010 tot 1 augustus 2011 weer heeft gewerkt voor onderwijsinstellingen in Nederland.


4.4.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat appellante dient te worden aangemerkt als “betrokkene” in de zin van artikel 2 van het BBWO, nu zij tot 1 augustus 2011 in dienst was van een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van het BBWO. Tussen partijen is in geschil of appellante voldoet aan de voor het recht op een aansluitende uitkering vereiste “diensttijd”. Beoordeeld naar het nationale recht, wordt geconcludeerd dat geen rekening kan worden gehouden met de periodes waarin appellante heeft gewerkt voor de school in Duitsland. Namens de minister is ter zitting toegelicht dat het BBWO slechts van toepassing is op personeelsleden werkzaam in Nederland in openbaar of bijzonder onderwijs dat uit de openbare middelen wordt bekostigd. Het BBWO vindt alleen toepassing op personeelsleden van particuliere scholen indien dit besluit in een CAO van toepassing is verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen aanwijzingen zijn dat de school in Duitsland waarvoor appellante heeft gewerkt een particuliere school is en dat op personeelsleden van deze school een (Nederlandse) CAO van toepassing is waarin het BBWO van toepassing is verklaard.


4.5.

Vervolgens wordt beoordeeld of het bestreden besluit zich verdraagt met het Unierecht, in het bijzonder Vo 883/2004. In dit verband dient te worden nagegaan of de periodes van werkzaamheden in Duitsland moeten worden gelijkgesteld met diensttijd vervuld op een Nederlandse school.


4.6.

In artikel 5, onder b, van Vo 883/2004 is bepaald dat een lidstaat rekening houdt met soortgelijke feiten en gebeurtenissen die zich voordoen in andere lidstaten indien de wetgeving van de bevoegde staat rechtsgevolgen toekent aan bepaalde feiten of gebeurtenissen.


4.7.

Nu het BBWO aan het vervullen van diensttijd onder voorwaarden het rechtsgevolg verbindt dat de betrokkene in aanmerking komt voor een aanvullende of aansluitende uitkering, is voor de toetsing aan art. 5, onder b, Vo 883/2004 beslissend het antwoord op de vraag of het vervullen van een periode van werkzaamheden voor de school in Duitsland een soortgelijk feit of gebeurtenis is als het vervullen van diensttijd als bedoeld in artikel 9 van het BBWO.


4.8.

Het BBWO heeft betrekking op basisonderwijs dat in beginsel voor ieder kind toegankelijk is en - zoals hiervoor al is vermeld en door de minister op de zitting is verklaard - uit de openbare middelen wordt bekostigd.


4.9.

De school in Duitsland waarvoor appellante heeft gewerkt, is een vorm van lager onderwijs aan kinderen van een leeftijd vergelijkbaar met die van de kinderen in het Nederlandse basisonderwijs. Door de minister is niet betwist dat deze vorm van lager onderwijs in Duitsland in beginsel voor ieder kind toegankelijk is en uit de openbare middelen wordt bekostigd.


4.10.

De minister heeft geen omstandigheden aangevoerd die kunnen wijzen op een relevant verschil tussen, enerzijds, de vorm van lager onderwijs waartoe de school in Duitsland behoort, waarvoor appellante heeft gewerkt en, anderzijds, het onderwijs in Nederland waarop het BBWO betrekking heeft. Het vervullen van periodes van werkzaamheden op de school in Duitsland moet daarom worden aangemerkt als een soortgelijk feit in de zin van artikel 5, onder b, van Vo 883/2004.


4.11.

In het midden kan blijven of een diensttijd als bedoeld in het BBWO is aan te merken als tijdvak van verzekering of werkzaamheden in loondienst in de zin van artikel 61, eerste lid, van Vo 883/2004. Immers, artikel 5, onder b, van Vo 883/2004 schrijft de gelijkstelling voor van feiten of gebeurtenissen in andere lidstaten die soortgelijk zijn aan de feiten of gebeurtenissen waaraan het nationale recht rechtsgevolgen verbindt. Nu de periodes waarin appellante op de Duitse school heeft gewerkt als een soortgelijk feit of een soortgelijke gebeurtenis in de zin van de Vo 883/2004 moeten worden aangemerkt, wordt niet toegekomen aan de vraag naar de mogelijke samentelling van tijdvakken van verzekering of werkzaamheden in loondienst.


4.12.

Gelet op de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.10 dienen voor de toepassing van het BBWO de periodes van werkzaamheden in Duitsland te worden gelijkgesteld met diensttijd vervuld op een Nederlandse school. Het beroep dat appellante heeft gedaan op artikel 65 van Vo 883/2004 en op diverse internationaalrechtelijke bepalingen en rechtsbeginselen behoeft geen beoordeling.


4.13.

Geconcludeerd wordt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient alsnog gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Bepaald wordt dat de minister een nieuwe beslissing op het bezwaar zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De Raad voorziet niet zelf in de zaak omdat de Raad niet beschikt over alle benodigde gegevens om het recht op BBWO-uitkering vast te stellen en voor deze vaststelling mogelijk in contact dient te worden getreden met het Duitse orgaan. Evenmin is er aanleiding de bestuurlijke lus toe te passen nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door de minister te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.


5. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.960,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 maart 2012;

- draagt de minister op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden

ingesteld;

- bepaalt dat de Minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) G.J. van Gendt




HD