Centrale Raad van Beroep, 19-06-2015 / 13-3570 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:2082

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong (AAW)-uitkering. Omdat appellant is geboren in 1966 dient, hoewel hij zijn aanvraag na 1 januari 2010 heeft ingediend, de beoordeling van zijn aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de AAW. Het Uwv heeft de medische en arbeidskundige situatie van appellant in 2012, hetgeen voortvloeit uit artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong, beoordeeld en niet diens situatie op 17-jarige leeftijd en na afloop van de geldende wachttijd. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag. De Raad ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, nu in wezen een geheel nieuwe beoordeling van de aanvraag van appellant dient plaats te vinden. De Raad ziet met het oog op een voortvarende afwikkeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-19
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
13-3570 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3570 WWAJ

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

30 mei 2013, 12/4202 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.S. Lassche, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lassche. Als medegemachtigde van appellant was aanwezig de arbeidsdeskundige W.L. Elsman. Als begeleider was aanwezig S. Croes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN


1.1.Appellant, geboren op [geboortedag] 1966, heeft op 9 december 2011, een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv deze aanvraag bij besluit van 10 mei 2012 afgewezen.


1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 10 mei 2012 bezwaar gemaakt. Na heroverweging heeft het Uwv, in lijn met de conclusies van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 17 oktober 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant wordt in staat geacht op 30 maart 2012 (zestien weken na de indiening van de aanvraag) meer dan 75% van het maatmaninkomen, te weten anderhalf maal het wettelijk minimumloon te verdienen. Daarom kan hij niet als jonggehandicapte in de zin van de Wet Wajong worden aangemerkt.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Overwogen is dat het bestreden besluit, gelet op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, op een voldoende deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.


3. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. De juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) wordt betwist evenals de passendheid van de geselecteerde functies.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111 heeft de Raad aanleiding gezien om met betrekking tot aanvragen om toekenning van een uitkering op grond van de Wet Wajong die zijn ingediend na 1 januari 2010 door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, wat betreft het toepasselijke recht, anders te oordelen dan de Raad heeft gedaan in zijn uitspraak van 9 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1600. Omdat appellant is geboren in 1972 dient, hoewel hij zijn aanvraag na 1 januari 2010 heeft ingediend, de beoordeling van zijn aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Omdat appellant is geboren in 1966 dient, hoewel hij zijn aanvraag na 1 januari 2010 heeft ingediend, de beoordeling van zijn aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de AAW.


4.2.1.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.


4.2.2.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.


4.3.

Zoals vastgesteld ter zitting heeft het Uwv de medische en arbeidskundige situatie van appellant op 30 maart 2012, welke datum voortvloeit uit artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong, beoordeeld en niet diens situatie op 17-jarige leeftijd en na afloop van de geldende wachttijd. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een onjuiste grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, ook het bestreden besluit vernietigen. Het Uwv dient opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van

10 mei 2012 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, nu in wezen een geheel nieuwe beoordeling van de aanvraag van appellant dient plaats te vinden. De Raad ziet met het oog op een voortvarende afwikkeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat beroep tegen het nieuwe besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad.


5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep, steeds voor kosten van rechtsbijstand. Tevens dient het Uwv een bedrag van € 294,94 te vergoeden. Dit is het bedrag van de nota van Elsman Support van 5 februari 2013 betreffende de in beroep uitgebrachte arbeidskundige expertise. In totaal: € 3.234,94.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 17 oktober 2012;
  • - bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
  • - bepaalt dat het beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.234,94;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) D. van Wijk





MK