Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 14-862 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:2088

Inhoudsindicatie
Bij besluit van 4 maart 2013 heeft het Uwv de vrijwillige verzekering ingevolge de ZW beëindigd per 1 januari 2013, zonder terugwerkende kracht, otv artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW. Voor de toepassing van deze bepaling hanteert het Uwv - evenals bij de verplichte verzekering - de gedragslijn dat slechts per een toekomende datum wordt beëindigd. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt deze gedragslijn aanvaardbaar geacht. Geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van deze gedragslijn nopen. Van de wijziging in 2006 van een eenmanszaak in een B.V. waarvan appellant sinds die datum dga is, heeft hij nooit melding gemaakt aan Uwv.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
14-862 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/252
Uitspraak

14/862 ZW

Datum uitspraak: 17 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

30 december 2013, 13/4175 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Titulaer hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft bij brief van 3 maart 2014 de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Bij brief van 11 maart 2014 heeft mr. Titulaer zich als gemachtigde onttrokken.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.2.

Op 4 januari 2013 heeft appellant het Uwv verzocht de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet (ZW) per 1 januari 2013 te beëindigen en de vanaf 1 januari 2006 betaalde premie, ten bedrage van € 15.973,- te restitueren.


1.3.

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft het Uwv de vrijwillige verzekering ingevolge de ZW beëindigd per 1 januari 2013. Het Uwv heeft daarbij geweigerd de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht te beëindigen en tot premierestitutie over te gaan.


1.4.

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2013 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft appellant daarbij gewezen op de polisvoorwaarden, de jaarlijkse informatiebrieven en de Uwv-website. Ook is gewezen op de algemene informatiebrief van 1996 waarin het Uwv appellant heeft geïnformeerd dat het voor een directeur-grootaandeelhouder (dga) niet zinvol is een vrijwillige ziektewetverzekering af te sluiten. Voorts is er in die brief op gewezen dat de verzekering niet met terugwerkende kracht beëindigd kan worden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 9 juli 2013 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en in hoger beroep in essentie gelijke gronden als in beroep aangevoerd.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

Ingevolge artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW wordt de vrijwillige verzekering beëindigd op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum.


4.2.

Voor de toepassing van deze bepaling hanteert het Uwv - evenals met betrekking tot beëindiging van de verplichte verzekering - de gedragslijn dat deze verzekering gelet op het gelopen risico behoudens bijzondere omstandigheden slechts per een toekomende datum wordt beëindigd. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt deze gedragslijn aanvaardbaar geacht.


4.3.

De vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv in afwijking van deze gedragslijn met terugwerkende kracht tot 1 april 2006 tot beëindiging van de vrijwillige verzekering en premierestitutie had moeten overgaan, beantwoordt de Raad, met de rechtbank, ontkennend. Dat het Uwv gelet op de Wet uitbreiding loondoorbetalingsverplichting bij ziekte geen risico meer zou lopen kan, nog daargelaten of deze stelling juist is, naar het oordeel van de Raad niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.


4.4.

Voorts moet worden vastgesteld dat appellant op 31 maart 2006 de rechtsvorm van zijn bedrijf, een eenmanszaak, heeft gewijzigd in een B.V. en dat hij sinds die datum directeur-grootaandeelhouder (dga) is. Appellant noch de door hem ingeschakelde adviseur heeft deze wijziging gemeld aan (de rechtsvoorganger) van het Uwv. Appellant heeft evenmin informatie bij het Uwv ingewonnen over de eventuele gevolgen van deze overgang voor zijn verzekeringspositie, terwijl deze informatie vanaf 2006 op de Uwv-website voorhanden was. De gevolgen van zijn handelen komen dan ook voor rekening en risico van appellant.


4.5.

Hetgeen appellant verder heeft aangevoerd, kan naar het oordeel van de Raad niet als bijzondere omstandigheid als hier bedoeld worden aangemerkt en leidt daarom niet tot een ander oordeel.


4.6.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en F.M.S. Requisizione en D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.



(getekend) J.J.T. van de Corput




(getekend) H.J. Dekker

HD