Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 14-289 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:2090

Inhoudsindicatie
Geen procesbelang meer. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
14-289 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/289 AWBZ

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

5 december 2013, 13/3494 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [betrokkene] te [woonplaats] (appellant)

(CAK)



PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.M. Vos, advocaat, hoger beroep ingesteld.


CAK heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft CAK bij brief van 18 juni 2014 een besluit van 23 april 2014 en een besluit van 21 mei 2014 ingezonden.


Bij brief van 14 augustus 2014 hebben appellanten desgevraagd gereageerd op de door CAK ingezonden nadere stukken.


Deze reactie is voor CAK aanleiding geweest een aanvullend verweerschrift in te dienen, waarop van de zijde van appellanten is gereageerd.


Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

[betrokkene] (betrokkene) verbleef in een zorginstelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).


1.2.

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft CAK de daarmee verband houdende eigen bijdrage op grond van het Bijdragebesluit zorg (Bbz) met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld op

€ 969,88 per maand. Deze vaststelling heeft CAK gebaseerd op een voor het peiljaar 2011 vastgesteld bijdrageplichtig inkomen van € 12.402,57. Dit bijdrageplichtig inkomen heeft CAK berekend door uit te gaan van een verzamelinkomen van betrokkene van € 15.550,00, verminderd met de verschuldigde belasting, premie ziektekostenverzekering, zak- en kleedgeld, toeslag en vaste aftrek en vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar 2011.


1.3.

Bij besluit van 17 mei 2013 (bestreden besluit) heeft CAK het tegen het besluit van

18 januari 2013 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.


3.1.

Betrokkene heeft bij CAK een aanvraag ingediend om het peiljaar te verleggen naar 2013.


3.2.

Betrokkene is op 7 januari 2014 overleden.


3.3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


3.4.

Bij besluit van 23 april 2014 heeft CAK de in 3.1 vermelde aanvraag toegewezen. Volgens dat besluit gaat het om een voorlopige aanpassing van de hoge eigen bijdrage voor het zorgjaar 2013 en zal CAK na afloop van 2014 het definitieve bijdrageplichtig inkomen vaststellen aan de hand van de van de Belastingdienst ontvangen inkomensgegevens over 2013. Bij besluit van 21 mei 2014 heeft CAK de eigen bijdrage voor zorg met verblijf voor 2013 (lees: voorlopig) vastgesteld op € 648,72 per maand. Deze vaststelling heeft CAK gebaseerd op een voor het peiljaar 2013 vastgesteld bijdrageplichtig inkomen van € 8.295,60. Dit bijdrageplichtig inkomen heeft CAK berekend door uit te gaan van een verzamelinkomen van betrokkene van € 13.658,00, verminderd met de verschuldigde belasting, premie ziektekostenverzekering, zak- en kleedgeld, toeslag en vaste aftrek.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2.

De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellanten voldoende procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1119) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift - of in dit geval de erven - met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.


4.3.

Appellanten hebben in hun brief van 14 augustus 2014 gesteld dat zij - behalve een veroordeling in de proceskosten - geen belang meer hebben bij een oordeel van de Raad over het bestreden besluit nu door de verlegging van het peiljaar naar 2013 de gewraakte vermeerdering van het bijdrageplichtig inkomen met 8% van de grondslag sparen en beleggen is komen te vervallen.


4.4.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3499) kan geen procesbelang worden ontleend aan de verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.


4.5.

Partijen zijn enkel nog verdeeld over de vraag of aanleiding bestaat CAK te veroordelen in de door appellanten in hoger beroep en betrokkene in eerste aanleg en bezwaar gemaakte proceskosten. Bij het vervallen van procesbelang kan een grond voor een veroordeling in de proceskosten zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoet gekomen.


4.6.

Van tegemoetkomen is in dit geval geen sprake. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en CAK heeft in hoger beroep zijn standpunt ten aanzien van de rechtmatigheid van dat besluit en het primaire besluit van 18 januari 2013 gehandhaafd.


4.7.

Ingevolge artikel 10 van het Bbz vindt op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, het te verwachten vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag. Artikel 10 van het Bbz bevat daarmee een mogelijkheid tot verlegging van het peiljaar.


4.8.

Betrokkene heeft gebruik gemaakt van de procedure als bedoeld in artikel 10 van het Bbz. Daardoor is het peiljaar verlegd van 2011 naar 2013. CAK heeft over die procedure terecht opgemerkt dat de beoordeling van de in dat artikel genoemde herberekening een andere is dan de reguliere berekening van de eigen bijdrage en dat dit daarom een geheel andere procedure is. Anders dan appellanten menen is daarom ook niet van belang of betrokkene de aanvraag tot peiljaarverlegging al heeft gedaan in zijn bezwaarschrift van

22 april 2013, dan wel op 6 januari 2014 met de indiening van het daartoe geëigende formulier. Het besluit van 21 mei 2014 is het gevolg van een aanvraag tot peiljaarverlegging en is niet aan te merken als een besluit waarmee CAK aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.


4.9.

Uit wat is overwogen in 4.5 tot en met 4.10 volgt dat geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van E.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.





(getekend) R.M. van Male




(getekend) E.L. Rijnen




HD