Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 14-2880 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2094

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
14-2880 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2880 WIA

Datum uitspraak: 17 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 april 2014, 13/5997 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Staal hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek te zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN


1.1.

Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag heeft het Uwv bij besluit van

16 april 2013 geweigerd om appellante met ingang van 28 mei 2013 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.2.

Bij besluit van 12 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 april 2013 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank acht het medische onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig en is van oordeel dat de beperkingen van appellante, zoals die zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 september 2013, niet zijn onderschat. In die FML is onder meer een arbeidsurenbeperking opgenomen tot (gemiddeld) 4 uur per dag en 20 uur per week. De rechtbank is voorts van oordeel dat de - hangende het beroep nog bijgetelde - geselecteerde functies door appellante te vervullen zijn, gelet op de uitgebreide motivering daarvoor door de arbeidskundige bezwaar en beroep en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag berust. Er dienen meer en zwaardere beperkingen te worden aangenomen, met name ten aanzien van de duurbelasting, zitten en staan, en de afwisseling van houding. Appellante is met haar beperkingen niet in staat de geselecteerde functies (productiemedewerker, medewerker tuinbouw, en samensteller kunststof en rubberindustrie) te vervullen.


3.2.

Naar aanleiding van het gestelde in hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen aangescherpt en een nieuwe FML opgesteld, gedateerd 9 juli 2014. Daarbij is staan tijdens het werk beperkt tot vier uur per dag, en is een beperking opgenomen ten aanzien van het omhoog kijken. Vervolgens heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 16 juli 2014 geconcludeerd dat de geselecteerde functies - ook indien zij getoetst worden aan deze nieuwe FML - nog steeds passend zijn.


4.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.


4.2.

Met de nieuwe FML van 9 juli 2014 zijn voldoende beperkingen aangenomen. Door appellante zijn geen (medische) gegevens ingebracht die nopen tot het aannemen van zwaardere beperkingen. In de arbeidskundige rapporten van 11 september 2013, 13 november 2013, 14 maart 2014 en 16 juli 2014 is uitvoerig gemotiveerd dat appellante in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Voor wat betreft het aspect langdurig staan markeert de Raad nog dat er tijdens de werkzaamheden ook sprake is van enige vertreding en de dat de maximale belastbaarheid van vier uur per dag in de praktijk nimmer gerealiseerd zal worden vanwege pauzes.


4.3.

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve in stand blijven. De Raad ziet wel aanleiding, nu het Uwv het bestreden besluit in hoger beroep nader heeft gemotiveerd, het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 490,- in beroep en € 1.225,- in hoger beroep aan kosten van verleende rechtsbijstand.


4.4.

De Raad beslist derhalve als volgt.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.695,-.



Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.




(getekend) E.W. Akkerman




(getekend) W. de Braal




JvC