Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 14-458 TW


ECLI:NL:CRVB:2015:2096

Inhoudsindicatie
Terugvordering ten onrechte betaalde toeslag met terugwerkende kracht. Geen verjaring.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
14-458 TW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/458 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

16 december 2013, 13/3844 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Aan appellante is met ingang van 15 december 1995 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Daarnaast heeft appellante inkomsten uit een arbeidsongeschiktheidspensioen en uit een WAO-hiaat verzekering. Op

1 juni 2006 heeft appellante een toeslag op haar WAO-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellante geen melding gedaan van haar overige inkomsten. Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het Uwv, met ingang van 10 mei 2006 aan appellante een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend. De toeslag is berekend op een bedrag van € 7,24 bruto per dag en bepaald is dat de toeslag als voorschot wordt betaald.


1.2.

Bij brief van 25 september 2012 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij mogelijk inkomsten ontvangt van Stichting Phillips Pensioenfonds en Reaal Schadeverzekeringen N.V. (Reaal) en appellante verzocht nadere informatie daarover door te geven. Appellante heeft op 1 oktober 2012 betaalspecificaties aan het Uwv verstrekt. Het Uwv heeft vervolgens nader onderzoek naar deze inkomsten verricht. In dit kader heeft Reaal op 30 januari 2013 inkomensgegevens aan het Uwv verstrekt. Bij besluit van 14 februari 2013 heeft het Uwv de aan appellante toegekende toeslag met terugwerkende kracht vanaf 10 mei 2006 ingetrokken omdat bij de toekenning van de toeslag ten onrechte geen rekening was gehouden met de overige inkomsten. Met de WAO-uitkering en de overige inkomsten kwam appellante uit boven het voor haar geldende sociaal minimum inkomen, zodat zij geen recht had op een toeslag op grond van de TW. Tevens heeft het Uwv bij dit besluit over de periode van 10 mei 2006 tot en met 1 oktober 2012 een bedrag aan onverschuldigd betaalde toeslag van € 12.189,32 teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 16 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 februari 2013 ongegrond verklaard.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat appellante in de in geding zijnde periode inkomsten heeft ontvangen naast haar

WAO-uitkering, waarmee zij boven het voor haar geldende minimuminkomen uitkwam, zodat aan appellante ten onrechte toeslag is verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 11a van de TW is het Uwv daarom verplicht de uitkering te herzien dan wel in te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank had het appellante, toen haar de toeslag werd verstrekt, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat haar totale inkomen boven het voor haar geldende sociaal minimum uitkwam en had zij kunnen weten dat haar ten onrechte een toeslag werd verstrekt. Te meer nu uit het toekenningsbesluit niet blijkt dat rekening is gehouden met haar andere inkomsten, waarvan zij in 1998 melding heeft gedaan. Laatstgenoemde melding doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de verplichting van appellante om bij een nieuwe aanvraag, zoals die van 1 juni 2006, melding te doen van de overige inkomsten die zij ontvangt. Het Uwv heeft daarom de toeslag terecht met terugwerkende kracht per 10 mei 2006 ingetrokken. De toeslag is over de periode van 10 mei 2006 tot 1 oktober 2012 onverschuldigd aan appellante betaald. Ingevolge het bepaalde in artikel 20, eerste lid van de TW, is het Uwv verplicht hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken.


2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante op verjaring van de vordering van het Uwv verworpen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, voor wat betreft de verjaringstermijn van terugvorderingen van onverschuldigd betaalde toeslag, wordt aangesloten bij de in het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijnen voor vorderingen uit onverschuldigde betaling. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het BW, verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de dag, volgende op die waarop de schuldeiser weet van het bestaan van zijn vordering en in ieder geval

20 jaren nadat de vordering is ontstaan. Uit vaste rechtspraak van de Raad (onder andere de uitspraak van 28 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284) volgt dat de verjaringstermijn van vijf jaren aanvangt op het moment dat het Uwv bekend was met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit om terugvordering in de rede ligt. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv eerst op 30 januari 2013 bekend geworden welke inkomsten appellante precies ontving naast haar WAO-uitkering, waarmee het voor het Uwv duidelijk werd dat een terugvordering in de rede lag. Het besluit van 14 februari 2013 tot intrekking van de toeslag en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag is genomen twee weken nadat het Uwv beschikte over de informatie dat onverschuldigd aan appellante was betaald, derhalve ruim binnen de termijn van vijf jaren. De stelling van appellante dat het Uwv ten tijde van haar aanvraag voor een toeslag daadwerkelijk op de hoogte was van haar andere inkomsten, volgt de rechtbank niet. Het feit dat zij die inkomsten ook reeds in 1998 ontving, betekent immers niet vanzelfsprekend dat appellante deze inkomsten ook op het moment van aanvraag in 2006 nog ontving. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat appellante op het aanvraagformulier in 2006 geen melding heeft gedaan van deze inkomsten. De rechtbank is niet gebleken dat het Uwv reeds ten tijde van de aanvraag van appellante op 10 mei 2006 dan wel op een eerder moment dan 30 januari 2013 daadwerkelijk op de hoogte was van het feit dat appellante in verband met andere inkomsten geen recht had op die toeslag. Dat het Uwv de eerder opgelegde boete niet gehandhaafd heeft omdat hij, volgens eigen zeggen, ten tijde van de aanvraag niet adequaat heeft gehandeld, doet hier naar het oordeel van rechtbank niet aan af.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat het Uwv ten onrechte en op onjuiste gronden heeft besloten dat zij over de periode van 10 mei 2006 tot 1 oktober 2012 ten onrechte toeslag heeft ontvangen en dat zij een bedrag van € 12.189,32 moet terugbetalen. Het kon haar niet duidelijk zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt omdat haar totale inkomsten boven het voor geldende sociaal minimum uitkwam, nu zij deze inkomsten altijd heeft ontvangen en deze altijd buiten beschouwing zijn gebleven. Subsidiair blijft appellante bij haar standpunt dat de vordering van het Uwv is verjaard en meer subsidiair dat slechts een bedrag van € 9.028,33 teruggevorderd zou mogen worden, omdat dit het bedrag is waarover de (in bezwaar ingetrokken) boete was berekend.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de TW heeft een ongehuwde recht op toeslag indien hij recht heeft op een loondervingsuitkering, en per dag een inkomen heeft dat lager is dan het voor hem geldende minimum per dag.


4.1.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de TW zoals dat gold op 29 juni 2006, is het Uwv bevoegd een voorschot te betalen op een nog niet vastgestelde toeslag.


4.1.3.

Op grond van artikel 17, tweede lid, TW , zoals dat gold op 29 juni 2006, is bepaald dat een voorschot op een nog niet vastgestelde toeslag wordt beschouwd als een toeslag op grond van deze wet.


4.1.4.

Met ingang van 1 juli 2009 is het eerste lid van artikel 17 van de TW vervallen en het tweede lid als artikel 17 van de TW blijven gelden.


4.1.5.

Ingevolge artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b van de TW, herziet het Uwv een besluit tot toekenning van toeslag indien de toeslag tot een te hoog bedrag is verleend. In het tweede lid is bepaald dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


4.1.6.

Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de toeslag die als gevolg van onder meer een besluit als bedoeld in artikel 11a onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. In het vierde lid, geldend ten tijde in geding, is bepaald dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


4.1.7.In artikel 4:95, vierde lid, van de Awb is onder meer bepaald dat een onverschuldigd betaald voorschot kan worden teruggevorderd.


4.2.1.

Het bestreden besluit betreft de herziening en terugvordering van voorschotten die op grond van de TW zijn betaald. Voor de beoordeling van het bestreden besluit is van belang of het Uwv tot terugvordering bevoegd of verplicht was.


4.2.2.

Artikel 4:95 van de Awb is ingevoerd bij de Aanpassingswet vierde tranche Awb. In de Memorie van Toelichting bij deze wet (Kamerstukken II, 2006/07, 31 124, nr. 3, blz. 2) is de wetgever ingegaan op de verhouding tussen de met de vierde tranche Awb in te voeren bepalingen en de bijzondere wetgeving:


“Het karakter van de bepalingen in de vierde tranche is hoofdzakelijk dwingend van aard. Met betrekking tot bijvoorbeeld titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden wil dit zeggen dat de voorstelling omtrent de vaststelling en de inhoud van de betalingsverplichting, het tijdstip waarop de geldvordering verjaart alsmede wanneer aanmaning en invordering bij dwangbevel mogelijk is, voor het gehele bestuursrecht gelden. Voor de aanpassingswetgeving betekent dit allereerst dat bepalingen die met een dergelijk dwingend voorschrift in strijd zijn, dienen te vervallen. Hetzelfde geldt voor voorschriften in de bijzondere wetgeving die hetzelfde voorschrijven als het dwingende Awb-voorschrift: dergelijke bepalingen worden immers overbodig. Slechts op het niveau van formele wet kan zo nodig worden afgeweken van deze dwingendrechtelijke voorschriften. Dit dient dan in zullen gevallen uitdrukkelijk in de bijzondere wet te worden vermeld door middel van de formulering: ‘In afwijking van artikel … Awb …’.”


4.2.3.

Met de inwerkingtreding van artikel 4:95 van de Awb op 1 juli 2009 is artikel 17 van de TW gewijzigd in die zin dat daarin niet langer is bepaald dat het Uwv bevoegd is tot het betalen van een voorschot, maar is artikel 20, eerste lid, van de TW ongewijzigd gebleven. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1265) wordt daarbij aan het enkele feit dat niet is voorzien in een toevoeging aan artikel 20, eerste lid, van de TW dat, voor zover sprake is van de terugvordering van een voorschot, wordt afgeweken van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb, geen betekenis toegekend. Met de per 1 juli 2009 geldende tekst van de artikelen 17 en 20 van de TW is duidelijk dat de terugvordering van bij wijze van voorschot betaalde toeslagen een verplicht karakter heeft en dat artikel 4:95, vierde lid, van de Awb in dit geval niet van toepassing is.


4.3.

Op grond van artikel 11a, eerste lid, van de TW was het Uwv verplicht zijn besluit van

29 juni 2006 te herzien. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW was het Uwv gehouden tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag over de periode van

10 mei 2006 tot en met 1 oktober 2012.


4.4.

Van dringende redenen in de zin van de artikelen 11a, tweede lid, en artikel 20, vierde lid, van de TW is slechts sprake indien door de herziening, de intrekking of de terugvordering van een toeslag onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor de betrokkene optreden. Appellante heeft geen gegevens ingebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat daarvan sprake is.


4.5.1.

Met toepassing van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230, gewijzigd met ingang van 14 juli 2011, Stcrt. 2011, 12553, verder: Beleidsregels) ziet het Uwv ook in gevallen waarin dringende redenen in de zin van de wet niet aanwezig zijn, af van intrekking of herziening met terugwerkende kracht indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. De Beleidsregels van het Uwv moeten worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. De bestuursrechter aanvaardt de aanwezigheid en de toepassing ervan als een gegeven aanvaard en toetst of de Beleidsregels op consistente wijze zijn toegepast.


4.5.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar ten onrechte toeslag werd verstrekt. In het besluit van 29 juni 2006 is neergelegd dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante wordt aangevuld met een toeslag, opdat het inkomen voor haar als ongehuwde met een kind onder de 18 jaar, dat tot het huishouden behoort en waarvoor kinderbijslag wordt ontvangen, in totaal 90% bedraagt van het minimumloon, zijnde € 52,66 bruto per dag. De toeslag is vastgesteld op een bedrag van

€ 7,24 per dag. Daarbij is vermeld dat de samengestelde uitkering daardoor met ingang van

10 mei 2006 uitkomt op € 52,66 bruto per dag. Het had appellante daardoor redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij in totaal aan uitkering op grond van de WAO en haar overige inkomsten, meer ontving dan het voor haar geldende sociaal minimum. Te meer nu uit het toekenningsbesluit niet blijkt dat rekening is gehouden met haar overige inkomsten, waarvan zij in 1998 melding heeft gedaan. Dat het Uwv bij de beoordeling van de aanvraag voor een toeslag van appellante in 2006 niet adequaat heeft gereageerd door geen navraag te doen bij appellante waarom zij vraag 8 van het aanvraagformulier niet had beantwoord, maakt dit niet anders. Zoals ter zitting door de vertegenwoordigster van het Uwv desgevraagd is verklaard, heeft het Uwv uit het niet beantwoorden van vraag 8, in samenhang met het door appellante bij vraag 9, of zij nog andere inkomsten had, aangekruiste hokje bij “nee”, kunnen begrijpen dat appellante op dat moment naast haar WAO-uitkering geen andere inkomsten had die relevant waren voor de beoordeling van haar aanspraak op een toeslag. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift nog met juistheid opgemerkt dat de overige inkomsten die appellante vanaf 1998 ontvangt niet zozeer van invloed zijn op de WAO-uitkering, maar wel op het recht op toeslag dat zij in 2006 heeft aangevraagd naar aanleiding van een wijziging in haar leefvorm.


4.5.3.

Vastgesteld wordt dat het Uwv in overeenstemming met de Beleidsregels heeft gehandeld door de aan appellante toegekende toeslag met terugwerkende kracht, ingaande

10 mei 2006 te herzien.


4.5.4.

Het oordeel en de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen met betrekking tot het beroep van appellante op de verjaring van de vordering worden onderschreven. Dit geldt ook voor appellantes meer subsidiaire grond dat de terugvordering beperkt zou moeten zijn tot het bedrag van € 9.028,33. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel.


4.6.

Uit 4.2.1 tot en met 4.5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en

E.W. Akkerman en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) S. Aaliouli




JvC