Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 13-4311 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2099

Inhoudsindicatie
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een herhaling van hetgeen appellante in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep terecht en op juiste gronden ongegrond verklaard. De nader overgelegde rapporten van de revalidatiearts geven de Raad evenmin reden te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Wat betreft de in hoger beroep aangevoerde psychische klachten is van belang dat niet met medische stukken wordt onderbouwd dat deze klachten ook reeds op de hier in geding zijnde datum aan de orde waren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
13-4311 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4311 WIA

Datum uitspraak: 17 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2013, 12/6484 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere medische stukken overgelegd.

Het Uwv heeft hierop een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2015. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Horstink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 10 juli 2012 vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij met ingang van

4 juni 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.


1.2.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 19 november 2012 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat hetgeen appellante heeft aangevoerd - mede nu zij een en ander niet medisch heeft onderbouwd - geen aanleiding geeft te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het Uwv mocht het rapport van die verzekeringsarts dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voorgehouden functies niet passend zijn voor appellante.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij als gevolg van haar psychische en lichamelijke klachten verder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. In verband met de bij haar bestaande verdergaande beperkingen is appellante niet in staat de voor haar geselecteerde voorbeeldfuncties te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een herhaling van hetgeen appellante in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep terecht en op juiste gronden ongegrond verklaard.


4.2.

Appellante stelt zich in hoger beroep opnieuw op het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de in geding zijnde besluitvorming ten onrechte niet is uitgegaan van zwaardere beperkingen als gevolg van de bij haar bestaande psychische en lichamelijke klachten. Onder verwijzingen naar de in de aangevallen uitspraak gegeven uitgebreide motivering is de rechtbank echter terecht van oordeel dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met betrekking tot de belastbaarheid van appellante, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 november 2012. De nader overgelegde rapporten van de revalidatiearts geven de Raad evenmin reden te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In zijn reactie van 1 december 2014 op die rapporten motiveert die verzekeringsarts inzichtelijk en overtuigend dat hij geen reden ziet om te komen tot een ander oordeel. Hij vermeldt daarbij expliciet dat de door de revalidatiearts geconstateerde klachten destijds ook bij hem bekend waren. Die klachten heeft hij dan ook bij zijn beoordeling betrokken. Naar aanleiding van de ter zitting van de Raad naar voren gebrachte nu bij appellante mogelijk bestaande cardiologische klachten, merkt de Raad op dat het in dit geding gaat om de situatie op de datum 4 juni 2012. Blijkens zijn vlak na de datum hier in geding uitgebrachte rapport van 22 juni 2012, heeft de verzekeringsarts bij lichamelijk onderzoek van appellante geconstateerd dat appellante een normale hartslag had. Bij dat onderzoek constateerde hij daarnaast ook normale harttonen, geen souffles en geen ritmestoornissen. Dat beeld wordt ook min of meer bevestigd door de behandelend cardioloog van appellant in zijn eveneens dicht bij de datum in geding uitgebrachte rapport van 8 augustus 2012. Wat betreft de in hoger beroep aangevoerde psychische klachten is van belang dat niet met medische stukken wordt onderbouwd dat deze klachten ook reeds op de hier in geding zijnde datum aan de orde waren. Uit de medische rapporten blijkt dat de verzekeringsartsen ook op dit punt de gezondheidssituatie van appellante hebben beoordeeld en daarbij tot de conclusie kwamen dat - zo er al psychische klachten bij appellante

bestonden - deze niet leiden tot beperkingen voor het verrichten van arbeid. De Raad wijst er hierbij op dat voor het twijfel zaaien aan de juistheid van een gegeven medische beoordeling of het aannemelijk maken dat een gegeven medische beoordeling inhoudelijk onjuist is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk is.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellante in staat worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de functies die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 19 november 2012 aan de schatting ten grondslag zijn gelegd - gelet op de in die functie voorkomende belasting - te verrichten. Hierbij is nog van belang dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep - na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en

beroep - op adequate en inzichtelijke wijze nader heeft gemotiveerd waarom ook de functies magazijn/expeditie medewerker (SBC-code 111220) en magazijnmedewerker (SBC-code 315020) in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.


5. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) M. Crum



NK