Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 13-2434 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:210

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering WW-uitkering. Boete. Appellant heeft niet alle gewerkte uren vermeld op zijn werkbriefjes. Schending inlichtingenplicht. Appellant kan hiervan ook subjectief een verwijt worden gemaakt, zodat het Uwv gehouden was om hem een boete op te leggen. De opgelegde boete is hier passend en geboden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
13-2434 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2434 WW

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 juli 2012 (tussenuitspraak) en de uitspraak (aangevallen uitspraak) van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2013, 12/279 (samen: aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Ramdihal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ramdihal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN


1. Appellant is met ingang van 3 november 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een gemiddeld verlies van

35,12 arbeidsuren.


2.1.

Het Uwv heeft aanleiding gezien een onderzoek in stellen naar de rechtmatigheid van de WW-uitkering van appellant. Op 4 juli 2011 heeft appellant in dat verband een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 juli 2011. Op basis van die bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 5 augustus 2011 de WW-uitkering van appellant over de periode van 27 april 2009 tot en met 3 oktober 2010 herzien en de volgens heb Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkeringen tot een bedrag van € 12.792,- teruggevorderd.


2.2.

Bij besluit van 1 september 2011 heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd van

€ 1.280,- omdat appellant het Uwv niet volledig heeft geïnformeerd over de door hem verrichte werkzaamheden.


3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening, de terugvordering en de boete. Bij beslissing op bezwaar van 1 december 2012 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.


4.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 december 2012. Hangende het beroep heeft het Uwv het besluit van 1 december 2012 vervangen door een besluit van

6 juni 2012 (bestreden besluit). In het bestreden besluit heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant herzien over de periode van 6 juli 2009 tot en met 3 oktober 2010,

de WW-uitkering tot een bedrag van € 11.287,25 teruggevorderd en de aan appellant opgelegde boete verlaagd tot € 565,-.


4.2.

Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat het Uwv het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd en is het Uwv in de gelegenheid gesteld de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.


4.3.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 21 november 2012 een nadere motivering van het bestreden besluit gegeven. Bij brief van 3 januari 2013 heeft het Uwv nog nadere informatie verstrekt.


4.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het appellant door zijn gesprek met zijn werkcoach H. Mols op

2 juli 2009 duidelijk moest zijn dat hij meer uren moest opgeven dan hij tot op dat moment deed. De rechtbank heeft daarbij het eerdere oordeel herhaald dat appellant zowel pauzetijden als gewerkte uren diende op te geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant een onvoldoende feitelijke onderbouwing gegeven van zijn bezwaren tegen de herziening en de terugvordering en de in dat verband verstrekte motivering. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden. De matiging van de boete is de rechtbank niet onredelijk voorgekomen.


5. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij zich heeft gehouden aan de inlichtingenplicht, dat hij alle aanwijzingen van het Uwv heeft opgevolgd, dat hij beschikbaar was voor arbeid en indien mogelijk solliciteerde. Hij heeft erop gewezen dat de door het Uwv gehanteerde formulieren niet duidelijk genoeg zijn ingericht en dat het Uwv jaren achtereen tekort is geschoten om hem er op te wijzen dat de formulieren niet waren ingevuld zoals het Uwv dat wenste. Over het gesprek met Mols in juli 2009 heeft appellant gesteld dat dit een andere inhoud had dan in de stukken is weergegeven. Verder heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop het Uwv de verklaringen van Mols in de besluitvorming en de procedure heeft betrokken. Appellant heeft gesteld dat hij niet meer uren heeft gereden of verdiensten heeft gehad dan hij heeft opgegeven. Wat de boete betreft heeft appellant gesteld dat hem geen verwijt treft.


6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


6.1.

Voor de van toepassing zijn wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 3.1 tot en met 3.4 van de tussenuitspraak. Daaraan wordt nog toegevoegd dat op grond van

artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de WW, het recht op uitkering eindigt ter zake van het aantal arbeidsuren dat de werknemer in een kalenderweek heeft.


6.2.1.

Appellant is met ingang van 30 maart 2009 in dienst getreden van Sentax B.V. te Amsterdam als taxichauffeur voor de duur van zes maanden. Volgens de overeenkomst was het aan de werkgever om een beroep op de arbeid van appellant te doen en zijn partijen daarbij overeengekomen dat loon verschuldigd zou zijn over de uren waarop en gedurende welke arbeid wordt verricht. Die overeenkomst is in de kop aangeduid als ‘arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht’, terwijl appellant de overeenkomst heeft benoemd als ‘nul-uren contract’. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat hij, als er een taxi van zijn werkgever vrij kwam, met die taxi naar een door hem zelf te bepalen standplaats reed en aldaar wachtte op klanten.


6.2.2.

Anders dan appellant veronderstelt, is ook het wachten op klanten onderdeel van de door hem verrichte bedongen arbeid. De aanwezigheid op een standplaats en de daarmee samenhangende mogelijkheid om klanten op te pikken is een activiteit die wordt verricht in het economisch verkeer en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht (zie ook bijvoorbeeld CRvB 3 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX3747). De uren die appellant heeft aangeduid als pauze dienen dan ook als arbeidsuren te worden aangemerkt, zodat over die uren, gelet op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de WW, geen recht op uitkering meer bestaat. Dat appellant in de uren dat hij op de standplaats wachtte omdat er nog geen klanten waren, sollicitatieactiviteiten kon verrichten of wellicht andere werkzaamheden kon uitvoeren, maakt dit niet anders, nu die uren immers als arbeidsuren van een taxichauffeur moeten worden aangemerkt.


6.3.

Appellant heeft niet alle gewerkte uren vermeld op zijn werkbriefjes. Daar komt bij dat de uren die hij wel op de werkbriefjes vermeldde, niet overeenstemden met zijn daadwerkelijk aantal gewerkte uren, zoals ook is gebleken uit de door appellant ter zitting gegeven toelichting bij zijn opgave van de gewerkte uren. Het Uwv heeft aan de hand van de door de werkgever verstrekte weekstaten en de daarop gegeven overzichten van rijden met en naar klanten, wachten en pauzeren, bepaald wat de omvang van de verrichte werkzaamheden is geweest. Dat het Uwv daarbij is uitgegaan van verkeerde gegevens of dat het Uwv die gegevens onjuist heeft geïnterpreteerd, heeft appellant, mede gelet op het voorgaande, niet aannemelijk gemaakt.


6.4.

Anders dan appellant heeft gesteld, boden de werkbriefjes voldoende mogelijkheden om melding te maken van de gewerkte uren en was een aanvullende instructie van de zijde van het Uwv voor een juiste invulling daarvan niet nodig. Verder had het appellant na het gesprek van 2 juli 2009 met Mols duidelijk kunnen zijn dat hij de werkbriefjes verkeerd invulde en dat daarin vanaf dat moment verandering moest komen. Uit het tijdsverloop tussen het gesprek met Mols en het besluit van 5 augustus 2011 volgt niet dat het Uwv de herziening en de terugvordering meer had moeten beperken dan bij het bestreden besluit is gedaan.


6.5.

Mols heeft van zijn gesprek met appellant op 2 juli 2009 een schriftelijk verslag gemaakt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit verslag een onjuiste weergave is van wat er toen is besproken. Evenmin heeft appellant duidelijk gemaakt waarom dat verslag niet in de besluitvorming zou mogen worden betrokken.


6.6.

Het Uwv heeft daarom de WW-uitkering terecht met ingang van 6 juli 2009 herzien en de over de periode van 6 juli 2009 tot en met 3 oktober 2010 onverschuldigd betaalde uitkering van appellant teruggevorderd.


6.7.

Appellant heeft de ingevolge artikel 25 van de WW op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Appellant kan hiervan ook subjectief een verwijt worden gemaakt, zodat het Uwv gehouden was om hem een boete op te leggen. Het Uwv heeft bij het opleggen van die boete rekening gehouden met het tijdsverloop vanaf het gesprek van appellant met Mols op

2 juli 2009 en het niet direct ondernemen van actie door het Uwv in verband met de in dat gesprek gedane mededelingen. In verband daarmee heeft het Uwv de boete met 50% verlaagd tot € 565,-. Anders dan de rechtbank kennelijk als toetsingskader heeft gehanteerd, is het bij de beoordeling van die boete niet de vraag of die boete niet onredelijk is, maar is een volle toets van de evenredigheid aan de orde en ligt nu de hoogte van de boete ter volle toetsing voor. De in dit geding gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij de overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een lager bedrag dan € 565,- uit te gaan. Deze boete is hier passend en geboden.


6.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraken zullen, met verbetering van gronden, worden bevestigd voor zover aangevochten.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) H.J. Dekker






MK