Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 14-1821 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:2104

Inhoudsindicatie
Herziening studiefinanciering van de norm voor een uitwonende studerende naar de norm voor een thuiswonende studerende. Terugvordering. Niet woonachtig op GBA-adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-1821 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1821 WSF

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 maart 2014, 13/665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G. Doornbos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Doornbos. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN


1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, over de periode mei tot en met december 2012 en over 2013 aan appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante stond vanaf 25 april 2012 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven onder het adres [adres A] te [woonplaats]. Ten tijde van belang was de hoofdbewoner van dit adres [naam vader], vader van de vriendin van appellante, [naam vriendin]. De ouders van appellante woonden toen aan de [adres B] te [woonplaats].


1.2.

Bij besluit van 29 maart 2013 heeft de minister appellante vanaf 1 mei 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf mei 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 2.109,32, dat als gevolg van de herziening over de periode mei 2012 tot en met maart 2013 te veel aan appellante is betaald, teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 22 juli 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 maart 2013 ongegrond verklaard. Aan de herziening en terugvordering heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven. Bij die controle hebben sociaal rechercheurs in opdracht van de minister op 25 februari 2013 een huisbezoek afgelegd op het GBA-adres van appellante, waar hoofdbewoner [naam vader] een verklaring heeft afgelegd. Bij een tweede gelijktijdig afgelegd huisbezoek is appellante aangetroffen op het adres van haar ouders en heeft zij daar een verklaring afgelegd tegenover een andere sociaal rechercheur.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is, voor zover hier van belang, van oordeel dat de bevindingen van de huisbezoeken en de opgenomen verklaringen een voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op haar GBA-adres.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, voor zover van belang, aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig en vooringenomen is. Zo zijn niet alle aangetroffen personen gehoord. Verder heeft de rechtbank onvoldoende betekenis gehecht aan de door appellante gegeven uitleg waarom zij tegen de controleurs heeft verklaard dat zij medebewoner [naam H.] niet kende. Ter zitting van de Raad heeft appellante op 18 april 2014 gedateerde verklaringen van haar ouders en zuster overgelegd en e-mails van [naam vriendin] van 30 maart 2015 en van [naam vader] van 31 maart 2015.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.


4.2.

Waar iemand woont, moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.3.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de bevindingen bij de huisbezoeken en de tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante niet woonde op het door haar opgegeven GBA-adres.


4.4.

Uit het verslag van het huisbezoek aan het GBA-adres komt naar voren dat de schoolboeken, kleding en foto die werden aangetroffen op de als kamer van appellante getoonde kamer bleken te zijn van haar vriendin, de dochter van de hoofdbewoner. Volgens de verklaring van de hoofdbewoner lag ook kleding van appellante tussen de spullen van zijn dochter en treffen de sociaal rechercheurs op het GBA-adres geen spullen van appellante aan. Toen appellante werd gehoord op het adres van haar ouders heeft zij verklaard dat zij daar twee dagen per week is, omdat haar stageadres daar dichtbij is. Verder heeft zij verklaard dat haar meeste schoolboeken bij haar ouders liggen.


4.5.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister, gelet op de verklaring van de hoofdbewoner, heeft kunnen afzien van nader onderzoek naar de in de kamer aan de IJselstraat aanwezige kleding en boeken en dat niet valt in te zien wat een verklaring van de dochter zou kunnen afdoen aan de verklaring van de hoofdbewoner. De ter zitting van de Raad overgelegde verklaringen en e-mails werpen hierop geen ander licht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen reden is het onderzoek ondeugdelijk te achten.


4.6.

De door appellante gegeven verklaring voor de aanwezigheid van kleding en spullen van haar vriendin, [naam vriendin], op de als kamer van appellante getoonde kamer is niet aannemelijk geworden. Desgevraagd hebben de sociaal rechercheurs geen zaken gezien die wezen op een verhuizing van [naam vriendin], waarna appellante het gebruik van haar kamer zou overnemen. Hier komt bij dat de omstandigheid dat op het GBA-adres geen andere tot appellante herleidbare spullen of administratie is aangetroffen niet valt te rijmen met haar stellingname dat zij daar woont vanaf april 2012. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat appellante en de hoofdbewoner tegenstrijdig hebben verklaard over welke dagen van de week appellante bij haar ouders verblijft en over het betalen van huur. De door appellante gegeven uitleg voor het niet in het bijzijn van haar moeder willen bevestigen dat zij medebewoner [naam H.] kent kan in het licht van het vorenstaande in het midden worden gelaten.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) K. de Jong




JvC