Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 14-1386 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:2105

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor een vervoersvoorziening in de vorm van een driewielfiets en voor een aanpassing van de berging. Geen medische noodzaak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-1386 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1386 WMO

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 maart 2014, 13/4304 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M.H. Geubbels hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Geubbels. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 20 september 2012 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag ingediend voor onder meer een vervoersvoorziening in de vorm van een driewielfiets, omdat haar huidige driewielfiets niet meer voldoet.


1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college nader onderzoek laten verrichten, waarbij naar voren is gekomen dat appellante ook een aanpassing van de berging wil om haar driewielfiets makkelijker te kunnen gebruiken. Het college heeft aan Argonaut Movaris advies gevraagd. De indicatieadviseur C. Sombekke heeft vervolgens in haar rapport van

26 november 2012 geadviseerd om de huidige driewielfiets te vervangen door een driewielligfiets met elektrische hulpaandrijving en om de toegangsdeur tot de berging aan te passen.


1.3.

Het college heeft vervolgens A-rea om advies gevraagd. De verzekeringsarts

P.F. Klein Obbink heeft in zijn advies van 1 februari 2013 geconcludeerd dat de driewielfiets met trapondersteuning die appellante heeft nog een adequate voorziening is en dat er geen noodzaak is voor een driewielfiets met lage instap. Appellante is qua energie in staat haar driewielfiets uit de berging te halen en er weer in te stallen. De aanpassing van de berging is dan ook niet noodzakelijk.


1.4.

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van A-rea, de aanvraag afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante medisch gezien adequate voorzieningen toegekend heeft gekregen vanuit de Wmo, waarmee de beperkingen van appellante bij het zich verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan, voldoende gecompenseerd worden.


1.5.

Bij besluit van 26 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het college terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken van beperkingen bij appellante die maken dat een andere driewielfiets of aanpassing van de berging noodzakelijk zijn. De huidige middelen van appellante zijn nog voldoende adequaat om de beperkingen op te heffen of te verminderen.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan het positieve advies van Argonaut Movaris. De arts van A-rea heeft volgens appellante de beperkingen onderschat. De huidige driewielfiets volstaat niet en de berging dient aangepast te worden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapport van Stichting SAP van 5 januari 2015 overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voorop staat dat de voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt van 20 september 2012 tot 26 juli 2013.


4.2.

Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt naar de aangevallen uitspraak verwezen.


4.3.

Het college heeft aan het bestreden besluit een advies van verzekeringsarts Klein Obbink van 1 februari 2013 van Area ten grondslag gelegd. Uit wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd volgt niet dat dit advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, niet concludent is of anderszins onjuist is. De verzekeringsarts heeft de gegevens bij de aanvraag bestudeerd, een telefonisch vooroverleg met de consulente gehad op 21 januari 2013 en een huisbezoek afgelegd op 28 januari 2013. Tijdens het huisbezoek heeft de verzekeringsarts geobserveerd hoe appellante in de berging de overstap van de rolstoel op haar driewielfiets maakt en hoe zij de berging in en uit manoeuvreert. Deze arts heeft geconstateerd dat het overstappen in de berging enige moeite kost doordat appellante zich wat moeizaam verplaatst en zij de hulpmiddelen los van elkaar in en uit de berging moet verplaatsen. De verzekeringsarts kan echter niet vaststellen dat dit haar onevenredig veel energie kost. Voor de (spier)mobiliteit van appellante is het volgens deze arts bovendien niet verkeerd dat zij nog degelijke bewegingen maakt. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de berging niet aangepast hoeft te worden en dat de huidige driewielfiets met trapondersteuning voor appellante nog adequaat is.


4.4.

Aan het advies van Argonaut Movaris kan niet de betekenis worden toegekend zoals appellante die voorstaat. Uit dit advies blijkt niet dat de huidige driewielfiets van appellante op medische objectieve gronden niet meer adequaat is. Bovendien is het advies van Argonaut Movaris in tegenstelling tot het advies van A-rea, niet opgesteld door een medisch adviseur. Ook het door appellante in hoger beroep ingebrachte rapport van de Stichting SAP maakt voorgaande niet anders. Uit dit rapport blijkt evenmin dat de driewielfiets die appellante heeft niet adequaat is. E.P.F. Klootwijk, de arts van Stichting SAP, is in zijn advies voornamelijk ingegaan op de vraag of appellante de fiets de berging in en uit kan krijgen en de transfer vanuit haar rolstoel op de fiets kan maken in de berging. Uit het rapport komt naar voren dat het appellante moeite kost om de fiets uit de berging te halen. Dat appellante hier wegens energetische beperkingen niet toe in staat zou zijn is echter niet gebleken. Klootwijk heeft in zijn rapport aangegeven dat appellante slechts licht energetische beperkingen heeft en dat zij geen aandoening heeft die energetische beperkingen veroorzaakt. Ook de informatie van de revalidatiearts geeft geen aanleiding voor twijfel, nu hieruit niet duidelijk naar voren komt dat de driewielfiets met trapondersteuning die appellante heeft niet meer adequaat is en de berging wegens de energetische beperkingen van appellante aangepast dient te worden.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en A.J. Schaap en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015



(getekend) H.C.P. Venema




(getekend) D. van Wijk



JL