Centrale Raad van Beroep, 29-06-2015 / 14-1727 MAW-W


ECLI:NL:CRVB:2015:2109

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om wraking.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-29
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-1727 MAW-W
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1727 MAW-W

Datum uitspraak: 29 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S.M. Diekstra, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2014, 13/7697, in het geding tussen verzoeker en de Minister van Defensie (minister).

Op 13 april 2015 heeft de Raad verzoeker medegedeeld dat het hoger beroep op 28 mei 2015 op zitting zal worden behandeld door de volgende rechters: N.J. van Vulpen-Grootjans,

B.J. van de Griend en C.H. Bangma (de behandelend rechters).

Op 22 april 2015 heeft verzoeker een eerder afgewezen verzoek herhaald om alle stukken uit de (geseponeerde) strafzaak door de minister aan het dossier te laten toevoegen. Dit verzoek heeft de Raad bij brief van 26 mei 2015 andermaal afgewezen.

Bij brief van 27 mei 2015 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechters.

De behandelend rechters hebben schriftelijk medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Verzoeker en de behandelend rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 15 juni 2015. Voor verzoeker is daar verschenen mr. Diekstra. De behandelend rechters zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.


2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de verzochte stukken voor verzoeker ontlastende verklaringen betreffen. Zonder tussenkomst van de minister kan verzoeker deze stukken niet bemachtigen. Door de afwijzing van het verzoek geeft de Raad een waardering van de verklaringen. Het verzoek van 22 april 2015 heeft verzoeker uitgebreid beargumenteerd, op welke argumenten de Raad niet is ingegaan in de brief van 26 mei 2015. De daarin vermelde afwijzing beschouwt verzoeker als een definitief standpunt van de Raad, waarvan slechts zal worden teruggekomen als verzoeker daartoe nieuwe argumenten aanvoert. Uit het oordeel dat de door verzoeker bedoelde verklaringen niet voldoende relevant zouden zijn voor de zaak, althans uit de afwijzing van het verzoek om de minister deze stukken aan het dossier te laten toevoegen, volgt dat er niet langer sprake is van een situatie van rechterlijke onpartijdigheid, althans is de schijn gewekt dat deze onpartijdigheid in het geding is en er sprake is van vooringenomenheid.


3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is

(zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).


3.2.

In de brief van 26 mei 2015 heeft de griffier verzoeker medegedeeld dat het verzoek om de minister de stukken uit de (geseponeerde) strafzaak aan het dossier te laten toevoegen aan de orde zal worden gesteld tijdens de behandeling van de zaak ter zitting op 28 mei 2015. Daarmee is de beslissing die in de brief van 26 mei 2015 is neergelegd een zogeheten procedurele beslissing. Het is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 18 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2072) dat wraking niet is bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen. Deze beslissingen kunnen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als daaruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter die de beslissingen heeft genomen. Van een blijk van vooringenomenheid is in dit geval geen sprake, te minder nu uit de afwijzing van het verzoek van 22 april 2015 op geen enkele manier volgt dat de Raad deze stukken niet relevant acht. Een definitief standpunt van de Raad over het al dan niet opvragen, dan wel de waardering, van die stukken is daarin niet te lezen. Met de brief van 26 mei 2015 is verzoeker te kennen gegeven dat het gesprek over het belang van die stukken en de vraag of de minister die stukken dient over te leggen, ter zitting van 28 mei 2015 zou worden gevoerd. Dat verzoeker daarbij met nieuwe argumenten behoorde te komen vindt geen steun in de bewoordingen van deze brief. Het verzoek om wraking moet daarom worden afgewezen.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van de behandelend rechters af.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en W.H. Bel en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) P. Uijtdewillegen




NK