Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-2345 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2118

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand, omdat appellant met ingang van 1 november 2012 een beroep kon doen op een voorliggende voorziening. Wsf 2000.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-2345 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2345 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

8 april 2014, 13/3380 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Bommelerwaard (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft nadere stukken ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 19 mei 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 19 september 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft zich op 1 november 2012 ingeschreven als student voor het volgen van een voltijds opleiding aan de Avans Hogeschool te Tilburg (hogeschool). Dit betrof zogenoemd duaal onderwijs, waarbij leren en werken wordt gecombineerd. Appellant ontvangt sinds 1 februari 2013 studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant al met ingang van 1 november 2012 studiefinanciering ontvangt, heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in rapporten van onderscheidenlijk 22 januari 2013 en 29 januari 2013.

1.3.

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2012 ingetrokken. Bij besluit van 12 februari 2013 heeft het dagelijks bestuur de over de periode van 1 november 2012 tot en met 31 december 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.270,04 van appellant teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 1 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 24 januari 2013 en 12 februari 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat appellant met ingang van 1 november 2012 een beroep kon doen op een voorliggende voorziening. Appellant kon met ingang van die datum in aanmerking komen voor studiefinanciering ingevolge de Wsf 2000, omdat hij voldeed aan de voorwaarden daarvoor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij met ingang van 1 november 2012 in aanmerking kon komen voor studiefinanciering. Hij voert aan dat hij niet voldeed aan de voorwaarde van ‘onderwijs volgen’, omdat hij geen onderwijs ter plaatse (op de hogeschool) volgde, maar thuis zelfstudie verrichtte.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 november 2012 tot en met 24 januari 2013, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode).


4.2.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7255) is studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellant toereikend en passend te zijn.


4.4.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf 2000 kan een student die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een bekostigde universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voor studiefinanciering in aanmerking komen.


4.5.

Vaststaat dat appellant met ingang van 1 november 2012 stond ingeschreven bij de hogeschool voor het volgen van een voltijds opleiding als bedoeld in 4.4. Hieruit volgt dat appellant met ingang van die datum voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor studiefinanciering ingevolge de Wsf 2000. Dat appellant om hem moverende redenen de studiefinanciering eerst met ingang van 1 februari 2013 en daarmee - naar achteraf is gebleken - te laat heeft aangevraagd, doet niet af aan de omstandigheid dat hij al per

1 november 2012 aan de voorwaarden voldeed om in aanmerking te komen voor studiefinanciering. Overigens volgt uit het in 1.2 bedoelde onderzoek dat appellant, anders dan hij betoogt, ook daadwerkelijk onderwijs volgde. Appellant heeft tegenover medewerkers van het dagelijks bestuur mondeling, dan wel per e-mail, met zoveel woorden verklaard dat hij vanaf eind november 2012 ’lessen volgde’. Ook in zijn brief van 21 maart 2015 aan de Raad, waarin appellant zijn standpunt desgevraagd nader heeft toegelicht, heeft appellant deze bewoordingen gebruikt. Dat appellant het onderwijs thuis volgde doet hier niet aan af. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat voor een student onder de Wsf 2000 geen aanwezigheidsverplichting geldt. De beroepsgrond van appellant slaagt niet.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 1 november 2012 een beroep kon doen op een voorliggende voorziening in de vorm van studiefinanciering. Dit betekent dat het dagelijks bestuur de bijstand terecht met ingang van 1 november 2012 heeft ingetrokken.


4.7.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, als voorzitter en W.F. Claessens en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) J.L. Meijer




HD