Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-2189 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:2119

Inhoudsindicatie
Herziening AOW-pensioen. De Svb heeft een onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd bij de beoordeling van het gezamenlijk hoofdverblijf. Op grond van de verklaring van appellante bestaat geen reden om aan te nemen dat appellante geen hoofdverblijf had in haar eigen woning. Het onderzoek van de Svb bevat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat M ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De conclusie is dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en M ten tijde hier van belang gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante of in de woning van M. De vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan behoeft daarom geen bespreking.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-2189 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2015/168
  • USZ 2015/283 met annotatie van M. van Everdingen
Uitspraak

14/2189 AOW

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

11 maart 2014, 13/4308 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Boers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boers. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 april 2006 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor een ongehuwde.


1.2.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [naam M.] (M) heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan appellante verleende ouderdomspensioen. In dat kader heeft de Svb dossieronderzoek gedaan. De Svb heeft appellante op 27 februari 2013 en 4 maart 2013 telefonisch gehoord.


1.3.

Bij besluit van 13 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 mei 2013 (bestreden besluit), heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellante met ingang van

1 maart 2013 herzien naar een ouderdomspensioen voor een gehuwde op de grond dat zij sindsdien met M een gezamenlijke huishouding voert.


1.4.

Met ingang van 1 februari 2014 heeft de Svb appellante weer in aanmerking gebracht voor een ouderdomspensioen voor een ongehuwde.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de Svb zorgvuldig heeft gehandeld. De herziening van het ouderdomspensioen berust niet op een zelfstandig onderzoek van de Svb, maar is uitsluitend gebaseerd op de telefonische gehoren van appellante in het kader van een onderzoek naar de leefsituatie van M. Van een gezamenlijk hoofdverblijf in een woning is geen sprake. In de periode dat M in Nederland verblijft, zo’n 26 weken per jaar, verblijft appellante met hem voor ongeveer een derde van de tijd in haar woning, een derde van de tijd in de woning van M en een derde van de tijd alleen of afzonderlijk bij vrienden of familie. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat sprake is van financiële verstrengeling. Ieder betaalt de kosten met betrekking tot zijn eigen woning. Evenmin is sprake van wederzijdse zorg. Dat gaat niet verder dan het zetten van een kopje thee. Van het gezamenlijk verrichten van huishoudelijke taken of verzorgende taken over en weer is geen sprake. Appellante verzoekt om schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente over het na te betalen ouderdomspensioen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 maart 2013 tot en met 13 maart 2013 (te beoordelen periode).


4.2.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.3.

Het besluit tot herziening van het ouderdomspensioen als hier aan de orde is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan de Svb is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de Svb rust.


4.4.

In zijn arrest van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien sprake is van twee personen aan wie ieder een woning ter beschikking staat, en die ieder afwisselend in deze woningen verblijven, ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk zal moeten worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Deze beoordeling dient plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de betrokkene bevindt. De mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokken personen dit zwaartepunt zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Die mogelijkheid bestaat ook indien deze personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen, zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen.


4.5.

Dit betekent dat, anders dan waarvan de Raad voorheen uitging, bij het aanhouden van afzonderlijke adressen aannemelijk zal moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf fungeert.


4.6.

Appellante en M beschikken ieder over een eigen vrij ter beschikking staande woning op een ander adres en staan daar ook ingeschreven in de Basisregistratie personen. Het is dan aan de Svb om aannemelijk te maken dat M ten tijde hier van belang in zijn woning geen hoofdverblijf had, maar in de woning van appellante of dat appellante geen hoofdverblijf had in haar woning, maar in de woning van M.


4.7.

Appellante heeft consistent verklaard over haar verblijf bij M en het verblijf van M bij haar. Per jaar verblijft M ongeveer een half jaar in het buitenland en een half jaar in Nederland. Van het half jaar in Nederland verblijft appellante een derde van de tijd bij M in zijn woning, verblijft M een derde van de tijd bij appellante in haar woning en verblijven zij beiden een derde van de tijd alleen in de eigen woning of afzonderlijk van elkaar bij familie en vrienden. De Svb heeft zich in het bestreden besluit op basis van de voorheen geldende rechtspraak van de Raad op het standpunt gesteld dat het niet gaat om het vaststellen dat iemand hoofdverblijf heeft in zijn eigen woning, maar dat het erom gaat of sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf in één of meerdere woningen. De Svb heeft zich concreet op het standpunt gesteld dat, naast het verblijf in het buitenland, appellante, gelet op haar verklaring in bezwaar dat zij het weekend meestal gezamenlijk in de woning van M en gemiddeld drie tot vier dagen per week gezamenlijk in haar woning verblijven, in totaal dus vijf of zes dagen per week in verschillende woningen gezamenlijk met M doorbrengt, zodat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf in verschillende woningen. Gelet op het onder 4.4 weergegeven oordeel van de Hoge Raad, heeft de Svb een onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd bij de beoordeling van het gezamenlijk hoofdverblijf. Op grond van de verklaring van appellante bestaat geen reden om aan te nemen dat appellante geen hoofdverblijf had in haar eigen woning. Het onderzoek van de Svb bevat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat M ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De conclusie is dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en M ten tijde hier van belang gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante of in de woning van M. De vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan behoeft daarom geen bespreking.


4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.


4.9.

Vervolgens dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. De gemachtigde van de Svb heeft ter zitting verklaard dat een nader onderzoek naar het hoofdverblijf van appellante en M in de te beoordelen periode naar verwachting niets op zal leveren. Daarom ziet de Raad aanleiding zelf in deze zaak te voorzien door het besluit van

13 maart 2013 te herroepen en te bepalen dat appellante over de te beoordelen periode recht heeft op ouderdomspensioen voor een ongehuwde. Het verzoek van appellante om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over het na te betalen ouderdomspensioen dient te worden toegewezen. Voor de wijze waarop de wettelijke rente wordt berekend, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 mei 2013;

- herroept het besluit van 13 maart 2013 en bepaalt dat appellante over de periode vanaf

1 maart 2013 ouderdomspensioen voor een ongehuwde toekomt;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt de Svb tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente zoals onder 4.9 van

deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.960,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.A.W. Zijlstra



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.





HD