Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-616 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2124

Inhoudsindicatie
Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie in de te beoordelen periode. De onderzoeksresultaten bieden geen toereikende grondslag voor de intrekking en terugvordering van bijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-616 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/616 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2013, 13/3462 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A.C. van Kempen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kempen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.T.W. Masolijn, vergezeld van J. Kregting, sociaal rechercheur.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving van 15 augustus 2011 tot 1 januari 2012 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Vanaf 1 januari 2012 tot 31 juli 2012 ontving hij bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant stond vanaf 10 augustus 2011 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: Basisregistratie Personen, op het adres [uitkeringsadres] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres), waar ook zijn ouders staan ingeschreven. De bijstand is per 31 juli 2012 beëindigd in verband met de verhuizing van appellant naar [woonplaats], waar hij is gaan wonen samen met [naam B] (B). Appellant is op 1 juni 2010 met B in het huwelijk is getreden. B stond tot 29 maart 2012 in de GBA ingeschreven op het adres [adres A] te [plaatsnaam 2].


1.2.

Naar aanleiding van een rapportage van de bijstandsmaatschappelijk werkster van de gemeente [plaatsnaam] van 12 december 2011, waarin aan de hand van nader genoemde feiten en omstandigheden twijfel wordt geuit over de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant, heeft een bijzonder controleur bij de Regio Rivierenland een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de bijzonder controleur onder meer dossieronderzoek gedaan, de bankrekeningen van appellant onderzocht, een buurtbewoner van B als getuige gehoord, Suwinet geraadpleegd, navraag gedaan bij de waterleverancier van de door B gehuurde woning te [plaatsnaam 2] en appellant en B verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 november 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

16 november 2012 de bijstand in te trekken over de periode van 15 augustus 2011 tot

29 maart 2012 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.968,32 van appellant terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant ten onrechte niet aan het college heeft gemeld dat hij niet feitelijk woonachtig was in de gemeente [plaatsnaam].


1.4.

Bij besluit van 4 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2012 gegrond verklaard ten aanzien van de periode van de terugvordering, deze periode beperkt tot de periode van 15 augustus 2011 tot 1 februari 2012, de hoogte van de terugvordering vastgesteld op € 2.389,92 en de kosten in bezwaar vergoed tot een bedrag van € 944,-. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en B in voormelde periode een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van B in [plaatsnaam 2].


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat het college het in dat besluit vervatte standpunt dat appellant in de periode van 15 augustus 2011 tot 1 februari 2012 met B een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, ter zitting heeft verlaten en aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat appellant in die periode geen woonplaats heeft gehad in de gemeente [plaatsnaam]. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht dit gebrek gepasseerd. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het college genoegzaam heeft gemotiveerd dat appellant in die periode geen woonplaats had in de gemeente [plaatsnaam]. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, moet worden geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat appellant feitelijk woonachtig was op het uitkeringsadres, noch elders in de gemeente [plaatsnaam]. Dit heeft hij niet bij het college gemeld.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt dat hij in de periode in geding feitelijk niet woonachtig was in de gemeente [plaatsnaam].


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 15 augustus 2011 tot 1 februari 2012.


4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.


4.3.

De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Het ligt op de weg van een bestuursorgaan dat een besluit tot toekenning van bijstand intrekt om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. In dit geval dient het college aannemelijk te maken dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie in de te beoordelen periode.


4.4.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college in die bewijslast niet is geslaagd. Zoals het college ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, steunt zijn standpunt dat appellant in de te beoordelen periode geen woonplaats heeft gehad in de gemeente [plaatsnaam], vooral op de onderzoeksbevindingen met betrekking tot de bankrekeningen van appellant en de verklaring die de getuige heeft afgelegd. De overige onderzoeksbevindingen vormen slechts steunbewijs.

4.4.1.

Blijkens het rapport van 1 november 2012 is uit het onderzoek van de afschriften van de bankrekeningen van appellant naar voren gekomen dat over de periode van 23 juni 2011 tot en met 12 oktober 2011 61 pintransacties hebben plaatsgevonden in [plaatsnaam 2] ten opzichte van 21 in [plaatsnaam] en omgeving. De transacties in de omgeving van [plaatsnaam] betroffen hoofdzakelijk transacties bij geldautomaten en tankstations. In de genoemde periode heeft maar twee maal voor levensonderhoud een transactie plaatsgevonden, op 18 juni 2011 en op 18 juli 2011. Over de pintransacties in [plaatsnaam 2] heeft appellant verklaard dat B zijn financiën in de gaten hield en daarom de beschikking had over zijn bankpas. Omdat hij bij zijn ouders woonde, had hij nauwelijks uitgaven voor levensonderhoud. Uit het rapport van

1 november 2012 blijkt dat op basis van de door appellant bij de aanvraag van 15 augustus 2011 overgelegd bankafschriften bij het college ook bekend was dat veelvuldig pintransacties plaatsvonden in [plaatsnaam 2]. Dat vormde voor het college echter geen belemmering om appellant bij besluit van 20 oktober 2011 een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toe te kennen. Gelet hierop is de Raad met appellant van oordeel dat het enkele feit dat hij het bij het college bekende gebruik van zijn bankrekeningen nadien ongewijzigd heeft voortgezet, onvoldoende is om te dienen als onderbouwing van het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode zijn woonplaats niet in de gemeente [plaatsnaam] heeft gehad.


4.4.2.

De gehoorde getuige betreft een buurtbewoner in de omgeving van de woning van B. Gevraagd naar de bewoning van die woning voor 1 februari 2012 heeft de getuige op

22 maart 2015 verklaard: “Dat was de familie [naam I]. Een man, een vrouw en een kind. Zij zijn nu weer naar [plaatsnaam] verhuisd. Zij woonden daar al toen wij hier in juni 2011 kwamen wonen. Ik zag hen ook dagelijks.” Deze verklaring is echter te summier en onvoldoende concreet om enkel daarop de conclusie te baseren dat appellant op het adres van B woonde en feitelijk niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Daarbij komt dat het kind van appellant en B eerst op 10 januari 2012 is geboren en appellant heeft verklaard dat het kind nimmer daar heeft gewoond.


4.5.

Uit 4.4 volgt dat de onderzoeksresultaten geen toereikende grondslag bieden voor de intrekking en terugvordering van bijstand. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Tevens zal de Raad het besluit van 16 november 2012 herroepen, aangezien deze besluiten op dezelfde onjuist gebleken grondslag berusten en het, gelet op het tijdsverloop sedertdien, niet aannemelijk is dat het college het gebrek in het onderzoek kan herstellen.


5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, in totaal € 1.960,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit 4 juni 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

.- herroept het besluit van 16 november 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde besluit van 4 juni 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 162,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van M.S. boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD