Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-1449 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2126

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Beleid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-1449 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1449 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2014, 13/6008 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.S. de Ploeg, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge. Namens betrokkene is verschenen

mr. De Ploeg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft appellant de bijstand van betrokkene over de periode van 11 april 2000 tot en met 26 maart 2005 teruggevorderd tot een bedrag van € 23.644,41. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene zijn inkomsten bij diverse nader genoemde werkgevers, en zijn samenwoning met [B.] (B) heeft verzwegen voor het college en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Omdat betrokkene gedurende de periode van 30 september 2002 tot en met 31 oktober 2003 en de periode van 26 december 2004 tot en met 26 maart 2005 een gezamenlijke huishouding voerde, heeft appellant een bedrag van € 13.587,04 van zowel betrokkene als B teruggevorderd.


1.2.

Bij besluit van 31 december 2005 heeft het college het besluit van 28 mei 2005 herzien en het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 25.327,86. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene in de periode van 11 april 2000 tot en met 31 december 2003 (met onderbrekingen) inkomsten heeft genoten bij diverse nader genoemde werkgevers als gevolg waarvan hij geen recht had op bijstand. Appellant heeft het bedrag van € 10.057,37 dat daardoor ten onrechte is uitbetaald, van betrokkene teruggevorderd. Omdat betrokkene in de periode van 30 september 2002 tot en met 26 maart 2005 (met onderbrekingen) samen met B een gezamenlijke huishouding voerde, heeft het college de over die perioden ten onrechte ontvangen bijstand tot een bedrag van € 13.587,04 van betrokkene en B teruggevorderd. Voorts heeft appellant nog een bedrag in de vorm van een geldlening aan betrokkene verstrekte bijstand teruggevorderd. Bij besluit van 20 april 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 31 december 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard en herzien (lees: herroepen) in die zin dat de terugvordering die ziet op de perioden dat betrokkene een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, komt te vervallen.


1.3.

Bij besluit van 21 juni 2006 heeft appellant de over de periode van 30 september 2002 tot en met 26 maart 2005 verleende bijstand ingetrokken en de kosten van de ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 13.587,04 van betrokkene teruggevorderd op de grond dat hij in die periode (met onderbrekingen) een gezamenlijke huishouding voerde met B waarvan hij aan appellant geen melding heeft gedaan. Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 21 juni 2006 herzien, in die zin dat de bijstand van betrokkene over de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 oktober 2003 wordt ingetrokken en de daardoor teveel verstrekte bijstand van € 5.942,41 van betrokkene wordt teruggevorderd. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene van 1 mei 2003 tot en met 31 mei 2005 bijstand heeft ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, terwijl hij onder meer in de periode van

3 april 2003 tot en met 31 oktober 2003 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met B.


1.4.

Bij brief van 8 april 2013 heeft betrokkene appellant verzocht om kwijtschelding van de openstaande vorderingen.


1.5.

Bij besluit van 12 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 september 2013 (bestreden besluit), heeft appellant dit verzoek afgewezen op de grond dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding, zoals neergelegd in artikel 6.3 van de Beleidsregels inkomensvoorziening WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (Beleidsregels). Kwijtschelding is niet mogelijk indien bij herhaling een vordering is ontstaan wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen over proceskosten en griffierecht het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom hij in het geval van appellant niet van het beleid heeft afgeweken en ook ter zitting zijn standpunt daarover niet duidelijk heeft kunnen maken. Voorts heeft de rechtbank overgewogen dat artikel 6.3, vierde lid, van de Beleidsregels zo moet worden uitgelegd dat het uitgangspunt is dat herhaaldelijk, over verschillende perioden de inlichtingenplicht is geschonden waardoor verschillende vorderingen zijn ontstaan. Nu de periode van terugvordering wegens de verzwegen gezamenlijke huishouding (1 mei 2003 tot en met 31 oktober 2003) besloten ligt in de periode van terugvordering wegens de niet gemelde inkomsten (11 april 2000 tot en met 31 december 2003) en de rechtbank niet kan vaststellen in hoeverre over verschillende perioden verschillende vorderingen zijn ontstaan, kan de rechtbank niet beoordelen of in het geval van betrokkene sprake is van een situatie als bedoeld in voormelde beleidsregel.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, van de Beleidsregels stelt het college zich onder meer tot doel om de teruggevorderde uitkering optimaal in te vorderen, voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet. In het tweede lid van dat artikel zijn situaties beschreven waarin het college kan besluiten van gehele of gedeeltelijke invordering af te zien. In artikel 6.3, vierde lid, van de Beleidsregels is bepaald dat het college niet van (verdere) invordering afziet indien de terugvordering meer dan één keer het gevolg is van niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.


4.2.

Zoals appellant ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, kan appellant zich vinden in de door de rechtbank aan het artikel 6.3, vierde lid, van de Beleidsregels gegeven uitleg dat met “meer dan één keer” is bedoeld dat het moet gaan om verschillende, van elkaar te onderscheiden perioden. Ook de Raad acht deze aan artikel 6:3, vierde lid, van de Beleidsregels gegeven uitleg niet onaanvaardbaar. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of daarvan ook hier sprake is.


4.3.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze vraag op grond van de in het dossier beschikbare gegevens - bevestigend - kan worden beantwoord. Uit met name de rapportage uitkeringsfraude van 13 juli 2005 en de rapportage van 24 oktober 2006, die aan de onder 1.1 tot en met 1.4 weergegeven besluitvorming ten grondslag liggen, valt af te leiden dat betrokkene van 11 april 2000 tot en met 29 oktober 2001 (periode 1) bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft ontvangen en dat hij heeft verzwegen dat hij in die periode daarnaast in drie te onderscheiden perioden inkomsten heeft genoten bij drie te onderscheiden werkgevers. Voorts valt daaruit af te leiden dat appellant van 1 mei 2003 tot en met 31 december 2003 (periode 2) bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft ontvangen en dat hij heeft verzwegen dat hij in die periode daarnaast van 20 mei 2003 tot met 20 december 2003 inkomsten heeft genoten bij weer een andere werkgever en dat hij van 3 april 2003 tot en met 31 oktober 2003 een gezamenlijke huishouding voerde met B. Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat er verschillende, van elkaar te onderscheiden perioden zijn aan te wijzen waarin betrokkene zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen. In periode 1 is betrokkene meerdere malen zijn inlichtingenverplichting niet nagekomen door niet te melden dat hij in drie te onderscheiden perioden inkomsten heeft genoten bij telkens een andere werkgever. In periode 2 valt een deel van de periode dat betrokkene heeft verzwegen een gezamenlijke huishouding te voeren, samen met een deel van de periode dat betrokkene heeft verzwegen inkomsten te genieten. Dat betreft de periode van 20 mei 2003 tot en met 31 oktober 2003. In de bijstandsperiode van 1 mei 2003 tot 20 mei 2003 heeft betrokkene geen melding gemaakt van de gezamenlijke huishouding. In de bijstandsperiode van 1 november 2003 tot en met 20 december 2003 heeft betrokkene geen melding gemaakt van de inkomsten die hij genoot. Hieruit volgt dat appellant heeft gehandeld in overeenstemming met de Beleidsregels. Dit rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.4.

De rechtbank heeft echter terecht geoordeeld dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat appellant in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door betrokkene in bezwaar aangevoerde grond dat appellant met toepassing van

artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de Beleidsregels had moeten afwijken. De rechtbank heeft daarom terecht het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit op die grond vernietigd.


4.5.

Anders dan de rechtbank, ziet de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Betrokkene heeft als bijzondere omstandigheden aangevoerd dat appellant vanwege het doorzettingsvermogen van betrokkene een bedrag van € 62.000,- van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft ontvangen en daarmee meer dan schadeloos is gesteld voor de geleden schade, dat betrokkene nu en in de komende jaren, gelet op zijn marginale psychische belastbaarheid geen aflossingscapaciteit zal hebben en dat betrokkene op basis van zijn draagkracht meer dan vijf jaar heeft afgelost op de vorderingen van appellant. De Raad onderschrijft het ter zitting door appellant ingenomen standpunt dat deze omstandigheden geen aanleiding hoefden te geven om van de Beleidsregels af te wijken. Dat inspanningen van betrokkene ertoe hebben geleid dat het UWV hem bij besluit van 19 april 2013 alsnog een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft toegekend over de periode van 3 februari 2009 tot 1 mei 2013, en het UWV ongeveer € 62.000,- heeft betaald aan appellant, gelijk aan de hoogte van de voor betrokkene in die periode geldende bijstandsnorm, is geen omstandigheid op grond waarvan appellant van de Beleidsregels had moeten afwijken. Deze omstandigheid ziet niet op de periode waarop de vorderingen waarvan betrokkene kwijtschelding verzoekt en mist daarmee ook overigens ieder verband. De omstandigheid dat betrokkene nu en in de komende jaren geen aflossingscapaciteit zal hebben en dat hij al meer dan vijf jaar heeft afgelost, zijn ten slotte niet zo bijzonder dat appellant daarin aanleiding had moeten vinden in afwijking van de Beleidsregels het verzoek om kwijtschelding in te willigen.


4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant is opgedragen een nieuw besluit te

nemen op het bezwaar met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 5 september 2013 in stand blijven.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD