Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-1214 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2127

Inhoudsindicatie
Hennepplantage. Huur van de woning was onbekend bij de gemeente. Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-1214 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1214 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

21 januari 2014, 13/1843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas, Gemeentelijk collectief voor werk, inkomen & zorg (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Voor appellante is verschenen mr. B. Nijsten, kantoorgenoot van mr. Thomassen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 16 juni 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Zij woonde ten tijde in geding in een huurwoning op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Op 27 september 2012 is in een woning op het adres [adres a] te [plaatsnaam] een hennepplantage aangetroffen. Door de gemeente [plaatsnaam] is het college ervan op de hoogte gesteld dat appellante deze woning huurde. Appellante heeft met betrekking tot deze woning geen mededelingen gedaan aan het dagelijks bestuur. Appellante is op 5 oktober 2012 verhoord door de politie en heeft verklaard dat zij de woning te [plaatsnaam] vanaf 1 december 2011 heeft gehuurd voor haar ex-vriend, dat zij deze woning aan hem heeft onderverhuurd en dat zij niet betrokken was bij de hennepkwekerij.


1.2.

Hierop heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Op 13 november 2012 hebben een sociaal rechercheur en een casemanager een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan het uitkeringsadres, waarbij appellante is gehoord. Hierbij heeft zij de onder 1.1 vermelde verklaring herhaald. De onderzoeksgegevens zijn neergelegd in een rapportage van de sociale recherche van

20 december 2012.


1.3.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 20 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 april 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 december 2011 tot en met 27 september 2012 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.787,21 van appellante teruggevorderd. Verder heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante voor de duur van zes maanden verlaagd met 10%. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij heeft geen melding gemaakt van de huur van de woning te [plaatsnaam]. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij deze woning heeft onderverhuurd. Verder rechtvaardigt het feit dat daar een hennepplantage is aangetroffen de veronderstelling dat appellante als huurder van deze woning (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) haar ten goede is gekomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en in het geheel geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, aldus het college.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Vaststaat dat appellante ten tijde in geding, te weten gedurende de periode van

1 december 2011 tot en met 27 september 2012, behalve de woning op het uitkeringsadres de woning op het adres [adres a] te [plaatsnaam] huurde. Dit betreft een gegeven waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat dit van belang kon zijn voor de verlening van bijstand. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de huur van de extra woning te [plaatsnaam].


4.2.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Hierin is appellante niet geslaagd, omdat zij hiervoor geen begin van bewijs heeft geleverd. Zij heeft haar stelling dat zij de woning te [plaatsnaam] aan haar ex-vriend heeft onderverhuurd, en wel op kostenneutrale basis, niet toegelicht en niet onderbouwd. Daarom kan van de juistheid daarvan niet zonder meer worden uitgegaan. Het lag op de weg van appellante om die stelling aannemelijk te maken. In dit verband was het dagelijks bestuur dan ook, anders dan appellante heeft aangevoerd, niet gehouden nader onderzoek te verrichten naar de verbruiksgegevens met betrekking tot die woning door middel van het opvragen van gegevens bij de energieleverancier. De Raad komt, gelet op het voorgaande, niet toe aan een beoordeling van de stellingen van appellante ten aanzien van de hennepkwekerij, die is aangetroffen in de door haar gehuurde woning te [plaatsnaam].


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M. Fleuren




HD