Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-2360 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2128

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Woonsituatie. Huisbezoek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-2360 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2360 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2014, 13/5478 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Yelpaze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Sarioğlu, advocaat, als opvolgend gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Gelik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 20 februari 1999 bijstand, ten tijde hier van belang ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.


1.2.

Naar aanleiding van een op 16 april 2013 ontvangen tip dat appellant zijn woning op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres) onderverhuurt aan onder meer de tipgever hebben handhavingspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [woonplaats] (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Op 17 april 2013 heeft een sociaal rechercheur van de DWI de tipgever nader gehoord. In het kader van het onderzoek hebben de handhavingspecialisten onder meer dossieronderzoek gedaan, registers geraadpleegd en op 10 en 14 mei 2013 vergeefse pogingen gedaan tot het afleggen van een huisbezoek op het uitkeringsadres. Op 3 juni 2013 hebben twee handhavingspecialisten appellant gehoord en aansluitend op het uitkeringsadres een huisbezoek afgelegd. Tijdens het gesprek van 3 juni 2013 heeft appellant verklaard de Nederlandse taal niet goed te spreken, waarna de handhavingspecialisten in overleg met appellant, omdat die dag geen tolk beschikbaar was, alleen een kort gesprek hebben gevoerd. Op 7 juni 2013 hebben de handhavingspecialisten appellant gehoord, waarbij gebruik is gemaakt van een tolk. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 juni 2013.


1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 13 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 augustus 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 3 juni 2013 in te trekken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de woon- en leefsituatie van appellant niet overeenkomt met zijn opgave en dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet is vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en niet heeft begrepen waarvoor hij toestemming heeft gegeven, zodat niet voldaan is aan de eis van “informed consent”. Verder zijn de onderzoeksbevindingen van het afgelegde huisbezoek niet toereikend voor de conclusie dat hij niet woont op het uitkeringsadres. Ter zitting heeft appellant daarnaast bestreden dat voor het huisbezoek een redelijke grond bestond.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 3 juni 2013 tot en met 13 juni 2013.


4.2.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete en objectieve feiten en omstandigheden kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.


4.3.

In dit geval bestond een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 3 juni 2013. Het college heeft op 16 april 2013 concrete informatie ontvangen van een tipgever dat appellant zijn woning op het uitkeringsadres aan onder meer hem (tipgever) onderverhuurde. Bij deze melding is een poststuk gericht aan de tipgever op het uitkeringsadres gevoegd. De tipgever heeft op 17 april 2013 gedetailleerd en concreet verklaard over de bewoning van het uitkeringsadres en heeft herhaald dat appellant zijn woning onderverhuurde. Op 10 mei en

14 mei 2013 is geprobeerd op het uitkeringsadres een huisbezoek af te leggen. Ondanks herhaaldelijk aanbellen werd niet open gedaan, waardoor het huisbezoek geen doorgang heeft kunnen vinden. Onder de gegeven omstandigheden kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellant verstrekte gegevens over zijn woon- en leefsituatie.


4.4.

Van “informed consent” bij het binnentreden in de woning is sprake indien de toestemming van de belanghebbende daarvoor berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand.


4.5.

De beroepsgrond van appellant dat niet is voldaan aan de eis van “informed consent”, slaagt niet. Vaststaat dat appellant, voorafgaand aan het huisbezoek op 3 juni 2013 het formulier “toestemming huisbezoek” heeft ondertekend. Op dat formulier is, voor zover van belang, vermeld dat aan appellant het doel van het huisbezoek is uitgelegd en dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor het recht op bijstand. Het betoog van appellant dat hij niet is bijgestaan door een tolk en dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, noopt niet tot het oordeel dat appellant niet kan worden gehouden aan het door hem ondertekende toestemmingsformulier. Appellant heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij in staat is korte vragen in de Nederlandse taal te beantwoorden. Dit blijkt ook het feit dat appellant op 3 juni 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met DWI en daarbij in de Nederlandse taal duidelijk heeft gemaakt dat hij zijn sleutel van de brievenbus is kwijtgeraakt en heeft gevraagd of er afspraken bij DWI gepland stonden. Vervolgens is appellant op tijd verschenen op de reeds geplande afspraak van 3 juni 2013. Niet aannemelijk is dat appellant genoemd formulier heeft ondertekend als hem de inhoud en strekking daarvan op dat moment niet voldoende duidelijk zou zijn geweest. Bovendien heeft appellant vervolgens voorafgaand aan het huisbezoek - desgevraagd - opnieuw toestemming verleend en is hij in staat gebleken te antwoorden op vragen van de handhavingspecialisten van DWI.

4.6.

De bevindingen van het huisbezoek vormen een toereikende basis voor het standpunt van het college dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres. Bij het huisbezoek is vastgesteld dat in de woning geen recente voor appellant bestemde post in de woning aanwezig was, maar slechts post uit 2010 en 2011. Ook is in de woning geen medicatie van appellant aangetroffen, terwijl hij dagelijks medicijnen moet gebruiken. Verder was er in de woning geen ondergoed van appellant aanwezig, gaf appellant aan dat hij niet wist wat in de keukenkastjes stond en beschikte hij niet over de sleutel van de brievenbus. Daarbij komt dat appellant wisselend heeft verklaard naar aanleiding van de bevindingen tijdens het huisbezoek. Zo heeft appellant verklaard dat zijn medicijnen op waren, maar ook dat zijn medicijnen in een tas lagen in de woning.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.A.W. Zijlstra



HD