Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 13-5964 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2129

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag. Onduidelijke financiële situatie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-22
Zaaknummer
13-5964 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5964 WWB, 13/5965 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 26 september 2013, 13/2214 en 13/2215 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Voor appellanten is verschenen mr. Verkoeijen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten zijn met ingang van 18 september 2012 toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet Inkomen en Arbeid en de Toeslagenwet. De woning van appellanten aan het [adres 1] te Venlo ( koopwoning) stond sinds juli 2011 te koop. Bij een huisbezoek in het kader van de schuldhulpverlening op 23 maart 2012 waren er vrijwel geen meubels in de woning en was de houten vloer verwijderd. Appellanten stonden tot 15 maart 2013 ingeschreven op het adres van de koopwoning. Sinds die datum staan zij ingeschreven op het adres van een huurwoning in [adres 2] te Venlo. De koopwoning is in juni 2013 verkocht.


1.2.

Appellanten hebben op 24 april 2013 bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hierbij hebben zij vermeld dat zij geen eigen bankrekening hebben en dat de uitkering van appellante naar de bankrekening van de zoon wordt overgemaakt. Het college heeft appellanten verzocht met vermelding van exacte data aan te geven op welke adressen zij hebben verbleven en met schriftelijke, deugdelijke en te verifiëren verklaringen duidelijk te maken hoe zij in het levensonderhoud hebben voorzien.


1.3.

Bij brief van 3 juni 2013 heeft het college aan appellanten verzocht uiterlijk op 10 juni 2013 nadere gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften van de rekening van de zoon van appellanten en een schriftelijke verklaring van appellanten waarin met exacte data wordt aangegeven op welke adressen zij hebben verbleven vanaf het moment van vertrek uit de koopwoning. In die brief is verder aangegeven dat de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld als niet aan dit verzoek is voldaan.


1.4.

Bij besluit van 17 juni 2013 heeft het college de onder 1.2 vermelde aanvraag om bijstand buiten behandeling gesteld op de grond dat appellanten niet binnen de geboden hersteltermijn de door het college opgevraagde gegevens hebben overgelegd.


1.5.

Bij uitspraak van 19 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van appellanten toegewezen. Hieraan heeft de voorzieningenrechter ten grondslag gelegd dat er onvoldoende basis is voor het college om de aanvraag buiten behandeling te laten en dat het college gehouden is de aanvraag inhoudelijk te behandelen.


1.6.

Bij besluit van 22 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2013 ongegrond verklaard waarbij het college de buiten behandelingsstelling heeft gehandhaafd. De gegevens waarom het college heeft gevraagd waren noodzakelijk om het recht op bijstand van appellanten vast te stellen. Deze gegevens zijn niet tijdig verstrekt. Daardoor is onduidelijk gebleven of appellanten steeds in Venlo hebben verbleven en zo ja, waar, en zo nee, gedurende welke periodes niet en hoe zij in hun levensonderhoud hebben voorzien.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd en verzocht om het college te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. De door het college opgevraagde bankafschriften zijn dan ook bedoeld om met de andere beschikbare gegevens een compleet beeld te krijgen van de financiële situatie van appellanten. Nu appellanten gebruik maakten van de bankrekening van hun zoon mocht het college deze bankafschriften opvragen.


4.3.

Niet in geschil is dat appellanten niet binnen de in de brief van 3 juni 2013 gegeven hersteltermijn de gevraagde bankafschriften hebben overgelegd.


4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij redelijkerwijs niet in staat zijn geweest om over de bankafschriften te beschikken en deze tijdig over te leggen, omdat de zoon niet wilde meewerken vanwege privacyoverwegingen. Deze grond slaagt niet. Het had op de weg van appellanten gelegen om tijdig een beroep op moeilijkheden met betrekking tot de overlegging van de gevraagde gegevens te doen voor het einde van de hersteltermijn, wat zij hebben nagelaten. Voorts betreft het hier een omstandigheid die voor rekening en risico komt van appellanten, daar zij ervoor hebben gekozen om zich afhankelijk te maken van hun zoon door de uitkering van appellante op zijn persoonlijke rekening te laten overmaken. Niet valt in te zien waarom de zoon van appellanten niet een afzonderlijke rekening voor dit doel had kunnen openen.


4.5.

Appellanten voeren verder onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2013 aan, dat de bankafschriften niet noodzakelijk waren. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak met name ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) van toepassing is verklaard. Hiervoor vindt een strenge toetsing plaats. Bovendien worden appellanten door de bewindvoerder gecontroleerd. Schuldeisers mogen niet worden benadeeld. De bewindvoerder heeft er geen kwaad in gezien dat de rekening van de zoon werd gebruikt. Deze grond slaagt evenmin. Het college heeft ten aanzien van het vaststellen van het recht op bijstand immers een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid, terwijl bij de toepassing van de schuldsanering op grond van de WSNP andere rechtsvragen spelen.


4.6.

Het college was gelet op 4.3 tot en met 4.5 al bevoegd de aanvraag van appellanten met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Gelet daarop behoeven de gronden die betrekking hebben op het niet tijdig aanleveren van de adressenlijst als bedoeld in 1.3 geen bespreking meer. In wat appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M. Fleuren

HD