Centrale Raad van Beroep, 23-01-2015 / 12-5405 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:213

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen aanknopingspunten om de naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts onjuist te achten. Het Uwv heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten in medisch opzicht passend zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-23
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
12-5405 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5405 WIA

Datum uitspraak: 23 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

29 augustus 2012, 12/676 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. Op verzoek van appellante is T.D. Werensteijn als getuige gehoord.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam als tandartsassistente, heeft zich op 1 september 2009 ziek gemeld met reeds langer bestaande vermoeidheidsklachten en psychische klachten. Nadien zijn daar schouderklachten links bijgekomen.


1.2.

Bij besluit van 6 september 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 30 augustus 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Bij besluit van 9 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 september 2011 ongegrond verklaard. Daaraan lagen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van eigen onderzoek, het bijwonen van de hoorzitting en weging van verkregen gegevens tijdens de bezwaarprocedure vastgesteld dat bij appellante uitgegaan dient te worden van de diagnose schouderklachten links en het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). De verzekeringsarts bezwaar en beroep vond geen duidelijke aanwijzingen voor psychopathologie. Gelet op de licht verhoogde rustbehoefte van appellante wanneer zij lichte activiteiten verricht en haar activiteitenniveau, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien voor het aannemen van een additionele beperkingen in werktijden in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 januari 2012. Appellante kan ongeveer 30 uur per week en ongeveer zes uur per dag werken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het verlies aan verdienvermogen aan de hand van een nieuwe functieselectie berekend op ruim 23%.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.2.

Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke en toereikende medische grondslag. Zij heeft bij haar oordeel betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapporten van 10 en 23 april 2012, in reactie op wat door appellante in beroep onder verwijzing naar ingebrachte informatie is aangevoerd, inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom deze informatie haar geen aanleiding heeft gegeven haar standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft over de gestelde cognitieve en psychische klachten gerapporteerd dat noch de verzekeringsarts noch zij bij het medisch onderzoek cognitieve functiestoornissen hebben waargenomen en dat de behandelend huisarts, getuige het huisartsenjournaal en zijn reactie op haar verzoek om inlichtingen, gedurende de laatste jaren geen depressieve stoornis heeft vastgesteld. De huisarts heeft aangegeven dat de vermoeidheidsklachten van appellante een psychosociale basis hebben. Naar de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de FML van 20 januari 2012 in voldoende mate rekening gehouden een zekere verhoogde psychische kwetsbaarheid bij appellante, door adequate beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen om overbelasting te voorkomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder te kennen gegeven dat in de FML fysiek zwaar belastende arbeid is uitgesloten. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om deze beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.


2.3.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aan schatting ten grondslag gelegde functie productiemedewerker industrie geschikt is voor appellante. Er resteren naar het oordeel van de rechtbank niettemin voldoende geschikte functies. Zij heeft daartoe overwogen dat de belasting in de geselecteerde functies inpakker, machinaal metaalbewerker en samensteller kunststof en rubberindustrie de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Zij heeft dit voldoende toegelicht geacht met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 31 januari 2012 en 4 juni 2012. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar betoog dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen omdat zij niet zes uur onafgebroken kan werken. Zij heeft daartoe overwogen dat appellante uitgaande van de FML van 20 januari 2012 zes uur per dag arbeid kan verrichten en dat uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 januari 2012 en 10 april 2012 niet kan worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de voorwaarde heeft gesteld dat de urenbeperking tot zes uur per dag onderbroken dient te worden door de rustbehoefte van appellante. Nu met de resterende functies in beroep een verlies aan verdiencapaciteit van 29% wordt gerealiseerd, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd om per 30 augustus 2011 aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.


3. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat haar beperkingen uit de diagnose CVS zijn onderschat. Zij acht de gestelde urenbeperking van zes uur per dag onvoldoende. Zij heeft zich voorts niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat uit de onder 2.3 genoemde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet kan worden afgeleid dat het aaneengesloten zes uur per dag werken onderbroken dient te worden door de rustbehoefte van appellante. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verzekeringsarts bewaar en beroep haar rustbehoefte van één à twee uur in de middag plausibel acht en dat zij juist aan het begin van de middag rust en niet aan het einde van de middag. Deze rustbehoefte kan naar haar mening niet worden ondervangen door een langere middagpauze te nemen. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij beperkt te achten is voor het vasthouden en verdelen van de aandacht, herinneren en handelingstempo en dat haar beperkingen uit schouderklachten zijn onderschat. Zij acht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet geschikt.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft gesteld over haar belastbaarheid vormt grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen waarop dat oordeel berust worden onderschreven.


4.2.

In reactie op wat in hoger beroep is aangevoerd heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 26 oktober 2012, waarin mede verwezen wordt naar haar eerdere rapporten, nader toegelicht dat met de urenbeperking tot zes uur per dag in zeer ruime mate rekening wordt gehouden met de verhoogde rustbehoefte van appellante die eruit bestaat dat appellante bijna elke dag één à twee uur in de middag slaapt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat appellante, met de gebruikelijke rustpauzes, zes uur achtereen kan werken, waarna zij kan rusten. Met de vermoeidheidsklachten van appellante is mede rekening gehouden door fysiek zwaar belastend werk uit de sluiten. Onder verwijzing naar haar eerdere rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nogmaals toegelicht dat er gelet op de aard van de pathologie en de onderzoeksbevindingen, waarbij geen cognitieve functiestoornissen werden waargenomen, geen argumenten zijn om appellante beperkt te achten ten aanzien het vasthouden of verdelen van de aandacht. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad verklaard dat de omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze symptomen in haar rapport van 20 januari 2012 heeft benoemd, dit niet anders maakt omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, aan de hand van de symptomen en het Protocol chronisch vermoeidheidssyndroom, de diagnose CVS heeft vastgesteld en nadien een vertaling heeft gemaakt van de beperkingen van appellante hieruit. Er zijn voorts geen medische redenen van psychische of lichamelijke aard die appellante verhinderen een hoog handelingstempo te realiseren. Naar de mening van de verzekeringsarts bezwaar en beroep staat werken aan een productielijn niet synoniem voor psychisch stresserend werk. Zij heeft verder geen argumenten gezien om appellante beperkt te achten ten aanzien van reiken omdat appellante met een gestrekt arm kan reiken. Gelet op de aard van de schouderaandoening en de onderzoeksbevindingen acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep de vastgestelde beperking ten aanzien van frequent reiken adequaat. De Raad heeft geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. De verklaring van de getuige werpt hier geen ander licht op. Appellante heeft in hoger beroep geen stukken ingezonden die twijfel oproepen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv.


4.3.

De rechtbank wordt voorts gevolgd in haar oordeel dat het Uwv inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de functies inpakker, machinaal metaalbewerker en samensteller kunststof en rubberindustrie gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten in medisch opzicht passend zijn voor appellante. De overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 29 oktober 2012 en van 17 november 2014 nader toegelicht waarom de geselecteerde functies op de door appellante in hoger beroep aangevoerde aspecten passend zijn. Over de functie inpakker heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gerapporteerd dat de belasting op het aspect reiken haalbaar is voor appellante. Bij het belastingaspect reiken in de FML wordt in ogenschouw genomen dat de reikbeweging met beide armen tegelijkertijd of alternerend geschiedt. Per greep/hand kunnen vijf tot negen koekjes van de band gepakt worden, waardoor de output, bij 800 reikbewegingen met twee handen, ligt op 8.000 en 14.400 koekjes, wat hoger is dan de vereiste output per persoon van tussen de 5.000 en 11.000 koekjes. Voorts is de reikafstand bij zittend en staand werken gelijk. De overschrijding van de frequentie van reiken, 800 in plaats van 600 keer, wordt in voldoende mate gecompenseerd door de kortere reikafstand en door het geringe te hanteren gewicht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder gerapporteerd dat de belasting op het aspect schroefbewegingen bij de functie medewerker assemblage eveneens haalbaar is voor appellante omdat geen of nauwelijks sprake is van aan te wenden krachten, waardoor de schouder niet behoeft te worden ingezet dan wel geen sprake is van een bovennormale belasting, waarvoor appellante beperkt is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 17 november 2014 verder inzichtelijk toegelicht dat de vermelding “productie targets halen” niet betekent dat in deze functie sprake is van voor appellante niet realiseerbare productiepieken of deadlines. De Raad heeft geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onjuist te achten.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Tevens dient het verzoek tot schadevergoeding te worden afgewezen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) B. Rikhof






MK