Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-732 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2132

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandaanvraag. Niet woonachtig op het opgegeven adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-732 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/732 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

24 december 2013, 13/1431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.L. Thiescheffer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Thiescheffer. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 1 september 2012 gemeld bij het college voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij stond op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres

[Adres A] te [woonplaats 2], gemeente Skarsterlân (opgegeven adres).


1.2.

Op 19 september 2012 heeft een intakegesprek plaatsgevonden. In aansluiting op dat gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden aan de woning op het opgegeven adres, waar appellant een gemeubileerde kamer huurde. De rapporteurs hebben blijkens een rapport van

5 oktober 2012 tijdens dat huisbezoek geconstateerd dat in de slaapkamer van appellant alleen een ledikant stond met daarop een dun dekentje. Bij het hoofdeinde lag een klein sier/steunkussentje in plaats van een hoofdkussen. In de slaapkamer stonden een tafel, een stoeltje, een tv en twee personal computers, die volgens appellant van de huiseigenaar waren. In de slaapkamer stond ook een garderobekast, waarin volgens appellant geen kleding van hem hing. Zijn kleding was bij zijn vriendin in Sneek. Appellant heeft blijkens het rapport na deze constateringen uit zichzelf verklaard dat hij in de afgelopen periode niet op het opgegeven adres had geslapen, maar bij zijn vriendin in Sneek. Hij zou daar ook eten, douchen en zijn kleding wassen. Het opgegeven adres zou tot dan toe alleen als postadres zijn gebruikt. Hij zou geen financiële mogelijkheden hebben om zich op dat moment al op het opgegeven adres te vestigen. Hij zou dat van plan zijn zodra hij een uitkering van het college zou ontvangen, aldus het rapport.


1.3.

Het college heeft de aanvraag bij besluit van 5 oktober 2012 afgewezen en dit besluit na bezwaar bij besluit van 5 april 2013 (bestreden besluit), gehandhaafd op grond van een gewijzigde motivering. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonachtig is.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 1 september 2012 tot en met 5 oktober 2012.


4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie.


4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De bevindingen tijdens het huisbezoek, zoals weergegeven in 1.2, duiden erop dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet feitelijk woonachtig was op het opgegeven adres. Appellant heeft in hoger beroep voor het eerst de weergave in het rapport van 5 oktober 2012 van de bevindingen van het huisbezoek en van de door hem afgelegde verklaring betwist. De Raad ziet in het feit dat hij de weergave tot aan het hoger beroep onweersproken heeft gelaten aanleiding om uit te gaan van de feiten en de verklaring zoals vermeld in het rapport van 5 oktober 2012. Hierbij is van belang dat appellant zowel in bezwaar als in beroep enkel heeft gesteld dat het voor hem mogelijk was te slapen en te leven op het opgegeven adres, maar niet dat hij ook feitelijk op het opgegeven adres woonachtig was. Appellant heeft de betwisting in hoger beroep van de onderzoeksbevindingen daartegenover niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.


4.4.

Appellant heeft in hoger beroep, net als in beroep, een verklaring gegeven voor het feit dat hij veel bij zijn vriendin verbleef, namelijk dat hij niet over voldoende middelen beschikte om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarmee heeft hij echter niet aannemelijk gemaakt dat hij - ondanks wat tijdens het huisbezoek is waargenomen en anders dan uit zijn verklaring tijdens de intake volgt - in de te beoordelen periode wel degelijk zijn woonadres had op het opgegeven adres. Het aangaan van een huurovereenkomst en het voldoen van de bijbehorende huurtermijnen is daartoe onvoldoende.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de bijstandsaanvraag terecht is afgewezen op de grond dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Dat appellant niet de financiële middelen had om zich daadwerkelijk op het opgegeven adres te vestigen, zoals hij heeft aangevoerd, leidt er niet toe dat hem alsnog bijstand moet worden toegekend.


4.6.

Gelet op 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M. Fleuren




HD