Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 14-636 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2146

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Niet noodzakelijke kosten. Medische fitness.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
14-636 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/636 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 december 2013, 13/5481 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van den Heuvel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Roodhorst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant lijdt aan een psychische stoornis en overgewicht. Hij heeft op 9 september 2012 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van fitness om medische redenen.


1.2.

Op verzoek van het college heeft een arts van de GGD Hollands Midden op 24 september 2012 advies uitgebracht over de aanvraag van appellant (GGD-advies). Dit advies luidt, voor zover van belang, als volgt:


“(…)

Advies

Het is voor betrokkene medisch noodzakelijk om geregeld in beweging te zijn in verband met zijn neiging tot overgewicht maar vooral in verband met zijn psychische stoornis.


Het is daarbij van belang dat hij een activiteit kiest die zowel financieel als lichamelijk en geestelijk bij hem past omdat dat de kans op succesvol bewegen het grootst maakt. Welke vorm van lichaamsbeweging passend is bij betrokkene is niet aan mij ter beoordeling.


Verder is het zo dat sporten voor alle mensen onderdeel is van een gezonde leefstijl. Ook hier geldt dat wandelen en fietsen effectief en ook nog gratis zijn, maar de crux zit hem er in dat als men iets doet wat passend is men het dan langer volhoudt.

(…)

Er is bij betrokkene nog steeds een bijzondere noodzaak voor bewegen.


Toelichting

(…)

Betrokkene sport al jaren twee tot driemaal per week naar tevredenheid bij sportschool [naam sportschool]. Blijkbaar is fitness iets wat bij hem past.

(…).”


1.3.

Bij besluit van 28 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd gelet op het GGD-advies niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Uit dit advies volgt geen oordeel over de vorm waarin appellant lichaamsbeweging behoeft. Appellant heeft voorts geen objectieve medische gegevens ingebracht die duiden op een strikte noodzaak voor hem tot bewegen of sporten in georganiseerd verband dan wel onder begeleiding.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat een bijzondere noodzaak bestaat om juist fitness als sport te bedrijven. Aan appellant is immers een persoonsgebonden budget toegekend op basis van de indicatie “Begeleiding Groep” ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (indicatie). Hieruit volgt de noodzaak van sporten in groepsverband. Centrum 45 heeft de GGD destijds juist geadviseerd om fitness in groepsverband voor te schrijven. Er bestaat strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat het college bij ongewijzigde omstandigheden nu anders dan in het verleden beslist. Dit wordt onvoldoende gemotiveerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van de beschikbare gegevens staat vast dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd de kosten van een abonnement voor fitness in een reguliere sportschool betreffen.


4.2.

Ter beoordeling staat of de beschikbare medische gegevens duiden op een medische noodzaak voor fitness in een reguliere sportschool. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat dit niet het geval is. In het GGD-advies is opgenomen dat het voor appellant medisch noodzakelijk is om geregeld in beweging te zijn, maar uit het advies blijkt niet dat fitness in een sportschool medisch gezien noodzakelijk is. Uit het door appellant in het geding gebrachte stuk van het Centrum indicatiestelling zorg blijkt evenmin de gestelde medische noodzaak van fitness. De enkele omstandigheid dat aan appellant een indicatie is toegekend, is in het licht van de beschikbare medische gegevens onvoldoende om aan te nemen dat voor appellant een medische noodzaak bestaat van fitness in een reguliere sportschool. Het college heeft in lijn met het GGD-advies terecht de conclusie getrokken dat voor appellant nog steeds een bijzondere noodzaak bestaat te bewegen, maar dat dit niet noodzakelijk in de vorm van fitness behoeft te zijn.


4.3.

Van een rechtens te honoreren verwachting dat appellant ook vanaf september 2012 nog bijzondere bijstand voor de kosten van fitness zou ontvangen is geen sprake. Het college heeft de bijzondere bijstand steeds voor bepaalde tijd toegekend, laatstelijk tot 1 september 2012. Elke aanvraag dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld. Appellant diende dan ook rekening te houden met de mogelijkheid dat hem niet langer bijzondere bijstand voor fitnesskosten zou worden verleend. Dat het college in het verleden onjuiste consequenties heeft verbonden aan een medische rapportage, als gevolg waarvan aan appellant ten onrechte een vergoeding is toegekend, kan er niet toe leiden dat een dergelijke fout voor de toekomst dient te worden herhaald.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel en J.T.H. Zimmerman en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD