Centrale Raad van Beroep, 30-06-2015 / 13-3818 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2152

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand. Onduidelijkheid over woonsituatie. Appellant heeft niet aangetoond dat zijn woonsituatie in de te beoordelen periode gewijzigd is ten opzichte van de situatie die aanleiding heeft gegeven de bijstand van appellant bij eerder genomen besluit in te trekken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-07-06
Zaaknummer
13-3818 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3818 WWB

Datum uitspraak: 30 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 juni 2013, 12/4109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Laurman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft nadere stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Namens appellant is verschenen mr. Laurman. Het college heeft zich, hoewel daartoe opgeroepen, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 1 mei 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 6 september 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 december 2011, heeft het college de bijstand met ingang van 1 september 2011 ingetrokken op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden en het recht op bijstand daardoor niet was vast te stellen. Uit onderzoek was gebleken dat appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres [adres] te [woonplaats] (opgegeven adres). Het besluit van 29 december 2011 is door de uitspraak van de Raad van

9 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:909) in rechte onaantastbaar geworden.

1.2.

Appellant heeft zich op 28 maart 2012 bij het college gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de WWB. Op 18 april 2012 heeft hij de aanvraag ingediend. Daarbij heeft appellant als verblijfadres het opgegeven adres opgegeven. Op 1 mei 2012 en 3 mei 2012 hebben medewerkers van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam getracht een huisbezoek af te leggen aan het opgegeven adres. Appellant is beide keren niet thuis aangetroffen. Appellant is uitgenodigd voor een gesprek op 2 mei 2012, maar is zonder tegenbericht niet verschenen. Op een uitnodiging voor een gesprek op 7 mei 2012 is appellant wel verschenen. Appellant is op die dag gehoord. De bevindingen van de medewerkers zijn neergelegd in een rapport van 10 mei 2012.

1.3.

Bij besluit van 10 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 augustus 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat appellant tegenstrijdige verklaringen over zijn woonsituatie heeft afgelegd en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 28 maart 2012, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 10 mei 2012, de datum van het afwijzingsbesluit.


4.2.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.


4.3.

Anders dan appellant stelt, moet in dit geval het toetsingskader als vermeld in 4.2 worden toegepast. Weliswaar heeft het college in het bestreden besluit, waarin het advies van de bezwaarschriftencommissie is overgenomen, vermeld dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht niet meer is vast te stellen, maar het college heeft vooropgesteld dat strikt genomen de onderhavige aanvraag van appellant is afgewezen omdat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. De omstandigheid dat het college in het primaire besluit een andere grondslag heeft gehanteerd, maakt niet dat die grondslag moet worden getoetst. Het college mag in bezwaar immers de grondslag van de afwijzing, gelet op de volledige heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht, wijzigen.


4.4.

Appellant heeft niet aangetoond dat zijn woonsituatie in de te beoordelen periode gewijzigd is ten opzichte van de situatie die aanleiding heeft gegeven de bijstand van appellant bij besluit van 6 september 2011 in te trekken. Appellant stelt dat hij op het opgegeven adres woont, maar heeft die stelling niet onderbouwd. Appellant heeft bij het gehoor van 7 mei 2012 verklaard dat hij twee à drie nachten per tien dagen of twee weken in zijn woning op het opgegeven adres verblijft en eigenlijk een zwervend bestaan leidt. De stelling van appellant dat hem bij dit gehoor woorden in de mond zijn gelegd, dat hij door de medewerkers onder druk is gezet en op incorrecte wijze is behandeld, heeft hij niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd en kan ook niet uit het verslag van het gehoor worden opgemaakt. Anders dan appellant betoogt, blijkt uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van [Z.] van Bavo Europoort (Z) niet dat hij op 7 mei 2012 niet in staat was naar waarheid te kunnen verklaren. In de verklaring van 2 november 2011 heeft Z alleen vermeld dat appellant bij Bavo Europoort onder behandeling is vanwege langdurige psychiatrische problematiek en dat bij appellant de diagnose ‘bipolaire stoornis, laatste periode hypomaan’ is gesteld. In de verklaring van 27 maart 2013 heeft Z weliswaar vermeld dat bij appellant door zijn psychiatrische problematiek in zekere mate sprake is van

oordeels- en kritiekstoornissen, dat dit zich wellicht kan uiten in het doorgeven van onvoldoende of verkeerd verwerkte informatie en dat appellant een zeer beperkte belastbaarheid heeft in de omgang met spanning, maar hieruit blijkt niet dat appellant op

7 mei 2012 niet juist kon verklaren over zijn woonsituatie. Anders dan appellant betoogt, was het college, gelet op de eigen verklaring van appellant op 7 mei 2012, niet gehouden meer onderzoek te doen dan hij heeft gedaan.


4.5.

Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat namens het college dergelijke toezeggingen zijn gedaan. Zijn stelling dat het college bij monde van mevrouw [D.] (D) bij het intakegesprek en mevrouw [S.] (S) bij de vervolgafspraak heeft toegezegd dat hij weer in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering, heeft het college betwist. De verklaring van de zus van appellant van 8 april 2013, waarin zij vermeldt dat zij aanwezig is geweest bij het intakegesprek en bij de vervolgafspraak en dat D en S hebben toegezegd dat appellant recht had op een bijstandsuitkering en die ook zou krijgen, is op zichzelf - bij gebreke van verklaringen van D en S - onvoldoende om ervan uit te gaan dat een dergelijke toezegging daadwerkelijk is gedaan. De mededeling van een medewerker van het college dat appellant een nieuwe aanvraag om bijstand kan doen, zoals gedaan ter zitting van de rechtbank van 3 november 2011 bij de behandeling van de intrekkingsprocedure, kan evenmin als een dergelijke toezegging worden aangemerkt. Uit deze mededeling blijkt niet dat de medewerker heeft toegezegd dat de bijstand na het indienen van de aanvraag zal worden toegekend, ook als de woonsituatie van appellant ongewijzigd blijkt te zijn.


4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) J.L. Meijer




HD