Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 14-2491 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:2157

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
14-2491 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2491 ZW

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 maart 2014, 13/7173 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2015. Voor appellante is verschenen mr. Wintjes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is op 1 november 2003 in dienst getreden als assistent medewerker toezicht bij [naam B.V.], te [vestigingsplaats]. Appellante heeft zich per

12 oktober 2012 voor dit werk ziek gemeld wegens heupklachten en vermoeidheid. Appellante is vervolgens aangepast werk aangeboden in die zin dat zij vanaf 3 december 2012 werkzaamheden als medewerker fietsenstalling is gaan verrichten voor 32 uur per week.


1.2.

Appellante heeft op 11 december 2012 een deskundigenoordeel aangevraagd over de passendheid van het aangeboden werk. Op basis van rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv geoordeeld dat het aangeboden werk per

3 december 2012 passend was. Het dienstverband met haar werkgever is vervolgens door de kantonrechter bij beschikking van 28 februari 2013 met ingang van 1 april 2013 ontbonden.


1.3.

Appellante heeft zich op 12 maart 2013 ziek gemeld met klachten wegens hoge bloeddruk, heupklachten en knieklachten. Naar aanleiding van deze melding heeft zij tweemaal het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, voor het laatst op

3 september 2013. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van

10 september 2013 weer geschikt is te achten voor haar maatgevende werk als medewerker fietsenstalling. Bij besluit van 3 september 2013 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld met ingang van 10 september 2013 beëindigd.


1.4.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 september 2013 heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van 28 oktober 2013 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bij besluit van 30 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij het aangepaste werk van medewerker fietsenstalling eerst met ingang van 3 december 2012 is gaan verrichten. De vaststelling van de rechtbank dat appellante al in 2010 dit werk is gaan verrichten, is dan ook onjuist. Dit aangepaste werk is zo kort uitgevoerd dat het bezwaarlijk als haar arbeid in de zin van de Ziektewet (ZW) kan worden aangemerkt. De bedongen arbeid als assistent medewerker Toezicht en Veiligheid had daarom als maatstaf moeten worden gehanteerd. Het Uwv heeft dit niet nader onderzocht. Tevens acht appellante zich wegens haar lichamelijke en psychische klachten niet in staat om haar arbeid te verrichten.

3.2.

Van de kant van het Uwv is betoogd dat bij het nemen van het bestreden besluit de juiste maatstaf is gehanteerd en dat het besluit kon worden gebaseerd op de zich onder de gedingstukken bevindende medische rapporten.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.4.2. De stelling van appellante dat niet het laatstelijk verrichte werk van medewerker fietsenstalling maar haar daarvoor verrichte (bedongen) arbeid als assistent medewerker Toezicht en Veiligheid als haar arbeid in de zin van de ZW moet worden aangemerkt, treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9348) moet bij de vaststelling van de ongeschiktheid tot werken zoveel mogelijk worden uitgegaan van de feitelijk laatstelijk verrichte arbeid. Dat appellante dit werk heeft verricht omdat de werkzaamheden als toezichthouder waren komen te vervallen, betekent niet dat die arbeid reeds hierom niet als haar arbeid in de zin van de ZW is aan te merken. Verder wijst het gegeven dat appellante dit werk vanaf 3 december 2012 (en niet zoals de rechtbank heeft overwogen al in 2010) gedurende meer dan zeven weken heeft verricht, niet in de richting van een mislukte werkhervatting. Er is dan ook geen sprake van een bijzonder geval om af te wijken van het uitgangspunt van de laatstelijk verrichte arbeid als bij de beoordeling te hanteren maatstaf. Gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige van 16 januari 2013 hadden de verzekeringsartsen een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden in dit werk.


4.3.

Er bestaat vervolgens geen aanleiding het onderzoek door de verzekeringsartsen voor onzorgvuldig te houden. De verzekeringsarts heeft appellante lichamelijk en psychisch onderzocht en was daarbij op de hoogte van de aanvraag van de huisarts voor een röntgendiagnostiek van 24 mei 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens dossieronderzoek verricht en heeft appellante op het spreekuur van 11 oktober 2013 onderzocht, waarbij uitgebreid aandacht is besteed aan de psychische klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 28 oktober 2013 vermeld dat sprake is van spanningsklachten bij psychosociale problematiek, die zeer invoelbaar is. De lichamelijke klachten betreffen degeneratieve klachten in met name de heupen. Dit leidt tot beperkingen ten aanzien van frequent zware lasten hanteren, lopen en staan tijdens het werk, veel traplopen, klimmen, geknield en gehurkt actief zijn. Lang zitten dient afgewisseld te worden met lopen, waarbij het ten slotte van belang is dat regelmatig van houding dient te worden gewisseld. Het laatst verrichte werk van medewerker fietsenstalling betreft fysiek lichte, eenvoudige, routinematige, mentaal niet te belastende werkzaamheden. De werkzaamheden worden onder normale werkdruk uitgevoerd, waarbij het gestructureerde en afgebakende taken betreft. Het werk kan veelal zittend worden uitgevoerd, soms staan bij de kaartjesverkoop en kortdurend lopen, wat duidt op de mogelijkheid tot vertreden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er dan ook geen beperkingen waardoor appellante haar werk in de functie van medewerker fietsenstalling niet zou kunnen uitoefenen.


4.4.

De in beroep overgelegde informatie van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gegeven om het standpunt te wijzigen. In het rapport van 6 december 2013 is vermeld dat de psychische klachten invoelbaar zijn en aannemelijk. De door de sociaal psychiatrisch verpleegkundige gemelde problematiek duidt op matige symptomen of matige problemen in het functioneren. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dus geen sprake van een ernstig disfunctioneren, de belasting in de werkzaamheden in de functie van medewerker fietsenstalling gaat de belastbaarheid van appellante niet te boven. Bij dit oordeel is tevens van belang geacht dat appellante pas ruim een maand na de datum hier in geding onder psychische behandeling is gekomen. De in hoger beroep overgelegde stukken kunnen niet leiden tot het oordeel dat het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist zou zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze informatie in essentie niet afwijkt van de al door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling betrokken medische informatie en daarvan eerder een bevestiging vormt.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellante met ingang van 10 september 2013 geschikt moet worden geacht voor haar arbeid in de functie van medewerker fietsenstalling voor 32 uur per week. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en C.C.W. Lange en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.



(getekend) A.I. van der Kris




(getekend) W. de Braal




TM