Centrale Raad van Beroep, 19-06-2015 / 14-963 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:2159

Inhoudsindicatie
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is en dat door het Uwv overtuigend is gemotiveerd dat geen sprake is van een aaneengesloten periode van vier weken, waarin sprake is geweest van een toeneming van de beperkingen ten opzichte van de beperkingen, neergelegd in de FML van 15 juli 2011.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-19
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
14-963 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/963 WAO

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

8 januari 2014, 13/3857 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L. Boon, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 22 april 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wegens rug-, nek- en beenklachten en psychische klachten. Na een herbeoordeling, mede op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juli 2011, is die uitkering per 29 augustus 2010 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


1.2.

Appellant heeft op 3 maart 2012 aan het Uwv gemeld dat zijn gezondheid eind 2011 is verslechterd wegens toegenomen klachten aan de benen. Bij besluit van 6 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid van appellant onveranderd berekend blijft naar een mate van 45 tot 55%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, bij besluit van 19 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, naar aanleiding van de desbetreffende beroepsgrond, overwogen dat een verzekeringsarts van het Uwv niet verplicht is informatie op te vragen bij de behandelend sector, tenzij er een behandeling in gang gezet zal worden of al plaatsvindt en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene, of als de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn beperkingen. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. De afwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv bij de hoorzitting betekent voorts niet dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat de psychische problemen in het verleden meer op de voorgrond hebben gestaan en dat de in het verleden aangegeven beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren wel zijn gehandhaafd. Niet gesteld kan worden dat de verzekeringsartsen van het Uwv verzuimd hebben na te gaan of de psychische problematiek van appellant is verslechterd. De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv terecht geen arbeidskundig onderzoek heeft verricht, omdat de medische beperkingen van appellant niet zijn gewijzigd ten opzichte van de FML van 15 juli 2011.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte zijn arbeidsongeschiktheid naar een mate van 45 tot 55% heeft berekend.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad.


4.1

In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv gelet op artikel 39a van de WAO naar aanleiding van appellants melding van 3 maart 2012 terecht en op goede gronden is gekomen tot de conclusie dat er geen grond was om de arbeidsongeschiktheidsuitkering te herzien.


4.2.

In hoger beroep heeft appellant, zonder concreet te vermelden op welke punten hij de aangevallen uitspraak aanvecht, in essentie dezelfde gronden naar voren gebracht als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is en dat door het Uwv overtuigend is gemotiveerd dat geen sprake is van een aaneengesloten periode van vier weken, waarin sprake is geweest van een toeneming van de beperkingen ten opzichte van de beperkingen, neergelegd in de FML van 15 juli 2011. Appellant heeft in hoger beroep niet met objectieve medische stukken aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van zijn verzoek van 3 maart 2012, dan wel sinds december 2011, toen hij krukken ging gebruiken, meer beperkingen had dan door het Uwv in 2011 is aangenomen. De Raad verwijst in dit verband nog naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 april 2015, waarin is gereageerd op door appellant ingebracht medische rapporten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook in deze reactie op goede gronden geconcludeerd dat er geen reden is om zwaardere beperkingen aan te nemen. Nu de medische beperkingen niet zijn toegenomen, hoefde er ook geen arbeidskundige beoordeling plaats te vinden.


4.2.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.




(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) M. Crum



NK