Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 12-6818 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:2163

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong-uitkering. Benoeming deskundige. Nadere motivering in hoger beroep. Instandlating rechtsgevolgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
12-6818 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6818 WWAJ

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 november 2012, 12/6048 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. drs. P.H.J. Körver, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad van 21 mei 2014, waar appellante is verschenen bij gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

Het onderzoek is heropend na de zitting. Dr. H.N. Sno, psychiater, is vervolgens benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Een schriftelijk verslag van dat onderzoek, inclusief de beantwoording van de gestelde vragen, is ingediend op 2 januari 2015.

Het Uwv heeft daarop bij brief van 4 februari 2015 een reactie gegeven met als bijlagen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 1 april 2015, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN


1. Op 4 januari 2012 heeft appellante een aanvraag ingediend ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), waarbij zij onder meer heeft vermeld dat bij haar een borderline persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. Het Uwv heeft deze aanvraag, na advies van een arbeidsdeskundige, afgewezen bij besluit van 6 februari 2012. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, ongegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 14 juni 2012 (bestreden besluit).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en - kort weergegeven - overwogen dat de rechtbank geen onafhankelijke deskundige zal raadplegen aangezien het verzekeringsgeneeskundig onderzoek duidelijk wordt geacht en er geen medische gegevens zijn ingebracht op grond waarvan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit in twijfel wordt getrokken. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen op zorgvuldige wijze in kaart heeft gebracht en dat met inachtneming van die beperkingen passende functies zijn geduid.


3.1.

Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en is van mening dat de rechtbank en het Uwv ten onrechte voorbij zijn gegaan aan de zware problematiek waarmee zij kampt, die zich kenmerkt door stoornissen en verslavingsproblematiek. Appellante meent dat zij op grond daarvan meer beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid dan is aangenomen door de artsen van het Uwv.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Beantwoord dient te worden de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld en de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn.


4.2.

De geraadpleegde deskundige heeft in zijn rapport van 2 januari 2015 geconludeerd dat hier sprake is van multipele psychosociale klachten en werkproblemen in het kader van een borderline persoonlijkheidsstoornis bij een 28-jarige ongehuwd alleenwonende

ex-winkelmedewerkster en moeder van een zoon met in de anamnese middelengebruik en aanwijzingen voor affectieve verwaarlozing. Op de datum in geding, zijnde 25 april 2012, gelden voor appellante niet alleen deze als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen, maar is ook van belang dat op die datum nog sprake was van alcoholafhankelijkheid. De deskundige kan zich vrijwel geheel verenigen met de door de verzekeringsarts bewaar en beroep vastgestelde belastbaarheid van appellante. Wel zijn er vanuit psychiatrisch gezichtspunt enkele accentverschillen. Zo overweegt de deskundige dat het zeer waarschijnlijk is dat de bij appellante vastgestelde borderline persoonlijkheidsstoornis zal leiden tot inadequate communicatie met een klant, waardoor het beoogde doel van het klantcontact niet zal worden gehaald. Tevens overweegt de psychiater dat de borderline persoonlijkheidsstoornis zal leiden tot inadequate communicatie met de patiënt, waardoor het beoogde doel van het patiëntcontact niet zal worden gehaald en mogelijk leidt tot schade bij de patiënt. Op grond van deze overwegingen geldt als specifieke voorwaarde in arbeid dat appellante aangewezen is op werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten vereist is en werk waarin meestal weinig of geen direct contact met patiënten of zorgbehoevenden vereist is.


4.3.

De deskundige heeft een overtuigende motivering gegeven voor de door hem vastgestelde beperkingen voor appellante. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen.


4.4.

Het Uwv heeft het rapport van de deskundige vervolgens voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in overeenstemming heeft gebracht met de bevindingen van de deskundige. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is met inachtneming van de aangepaste FML, waarbij appellante beperkt wordt geacht ten aanzien van het klantcontact, tot de conclusie gekomen dat twee van de geduide functies niet langer geschikt zijn. De functies productiemedewerker industrie, productiemedewerker metaal en elektro-industrie en wikkelaar, blijven echter onveranderd geschikt voor appellante. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook na aanpassing van de FML geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet Wajong.


4.5.

Hoewel het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet Wajong, is er aanleiding om de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Het Uwv heeft immers pas in hoger beroep een deugdelijke motivering gegeven voor dat standpunt. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep gegrond is.

5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 14 juni 2012;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-.


Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en C.C.W. Lange en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.




(getekend) A.I. van der Kris




(getekend) W. de Braal




GdJ