Centrale Raad van Beroep, 03-07-2015 / 15-2840 WWB-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:2185

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend (financieel) belang.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-03
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
15-2840 WWB-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2840 WWB-VV

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoekste] te [woonplaats] (verzoekster)

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. A.R. Kellerman, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 maart 2015, 15/920 en 15/358 (aangevallen uitspraak).

Tevens heeft mr. Kellerman namens verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 16 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 september 2014, heeft het dagelijks bestuur de bijstand van verzoekster met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand van verzoekster teruggevorderd. Bij uitspraak van 16 maart 2015 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 september 2014 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1540, heeft de voorzieningenrechter van de Raad het hangende dit beroep gedane verzoek om voorziening wegens het ontbreken van onverwijlde spoed afgewezen.


1.2.

Op 26 augustus 2014 heeft verzoekster zich opnieuw gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen naar de norm voor een alleenstaande. De daartoe strekkende aanvraag heeft zij op 8 september 2014 ingediend. Bij besluit van 2 oktober 2014 heeft het dagelijks bestuur deze aanvraag afgewezen op de grond dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met [naam R.].


1.3.

Bij besluit van 10 december 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2014 gegrond verklaard en verzoekster met ingang van 26 augustus 2014 alsnog bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10%. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet langer een gezamenlijke huishouding wordt aangenomen, maar dat sprake is van een woonsituatie waarbij verzoekster de kosten kan delen met Thümann.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat het dagelijks bestuur de gemeentelijke toeslag ten onrechte heeft beperkt tot 10% in plaats van 20%.


3.2.

Aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft verzoekster, samengevat, ten grondslag gelegd dat zij in een financiële noodsituatie verkeert, aangezien zij sinds 1 april 2015 niet meer kan voorzien in de noodzakelijk kosten van het bestaan en dat zij, als gevolg van het feit dat haar geen toeslag van 20%, maar een toeslag van 10% is toegekend, de huur van haar woning niet (geheel) meer kan betalen.


4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2.

De beantwoording van de vraag of, gelet op de betrokken belangen, sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval toe op de vraag of vanuit financieel oogpunt sprake is van een spoedeisend belang.


4.3.

Wat verzoekster heeft aangevoerd, levert geen grond op om te oordelen dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. In dit verband wijst de voorzieningenrechter allereerst op de in 1.1 vermelde uitspraak. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de dreigende ontruiming was afgewend, dat verzoekster inmiddels al weer geruime tijd over een uitkering beschikt, dat de schuldenlast van verzoekster op zichzelf geen spoedeisend belang oplevert en dat verzoekster als schuldenaar de bescherming heeft, of deze kan inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ook is verzoekster hierbij gewezen op vaste rechtspraak (uitspraak van

2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764), waaruit volgt dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Een spoediger behandeling van de bodemzaak levert dus ook geen spoedeisend belang op.


4.4.

Verzoekster heeft bij het onderhavige verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd waarmee aannemelijk is gemaakt dat nu wel sprake is van een (ander) spoedeisend belang, als gevolg waarvan de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. In dit verband herhaalt de voorzieningenrechter dat verzoekster beschikt over een uitkering, terwijl het geschil in hoger beroep gaat over het verschil in toeslag van 10% of 20%. Dat zij als gevolg van de lagere toeslag op dit moment in een financiële noodsituatie verkeert of dreigt te verkeren die het treffen van een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen, heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt.


4.5.

Het verzoek is gelet op 4.1 tot en met 4.4 kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.





(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) R.B.E. van Nimwegen




HD