Centrale Raad van Beroep, 29-06-2015 / 14-1738 AW-W


ECLI:NL:CRVB:2015:2196

Inhoudsindicatie
Het verzoek om wraking, voor zover het betrekking heeft op de wijze van vraagstelling ter zitting, zal niet-ontvankelijk worden verklaard en het verzoek om wraking, voor zover het ziet op het niet mogen verstrekken van de schriftelijke toelichting, zal worden afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-29
Publicatiedatum
2015-07-07
Zaaknummer
14-1738 AW-W
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1738 AW-W

Datum uitspraak: 29 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft om herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2010, 09/3146 AW en 09/6650 AW, gewezen in een geding tussen hem en de Stichting Stedelijk Voortgezet Onderwijs Zoetermeer (stichting).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015, waar verzoeker, vergezeld door zijn echtgenote, en een vertegenwoordiger van de stichting zijn verschenen.

Bij brief van 10 april 2015 heeft verzoeker de Raad geïnformeerd dat hij ter zitting een nadere toelichting heeft willen aanbieden, maar dat hij daartoe door de voorzitter niet in de gelegenheid is gesteld. Verzoeker heeft deze nadere toelichting aan de Raad gezonden.

Bij brief van 24 april 2015 heeft de Raad verzoeker geïnformeerd dat de Raad niet is ingegaan op het aanbod van verzoeker om de schriftelijke toelichting aan de stukken toe te voegen, gelet op het bepaalde in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft verzoeker er daarbij op gewezen dat verzoeker in de gelegenheid is gesteld om de inhoud van de schriftelijke toelichting voor te lezen en dat de rechters op die manier kennis hebben genomen van de inhoud. De nadere toelichting is aan verzoeker geretourneerd.

Bij brief van 17 mei 2015 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandeld rechters mrs. C.H. Bangma, K.J. Kraan en M.T. Boerlage.

De behandelend rechters hebben schriftelijk meegedeeld niet te berusten in het wrakingsverzoek.

Bij brief van 10 juni 2015 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek nader toegelicht.

De behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 15 juni 2015. Verzoeker is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. De behandelend rechters zijn met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is het middel van wraking bedoeld te waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.


2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de rechters tijdens de eerste ronde van de zitting niet alleen vragen hebben gesteld, maar ook meningen hebben geuit die volgens verzoeker ingaan tegen zijn verzoek om herziening van de uitspraak van

14 oktober 2010. De interpretatie van de rechters tijdens de zitting was volgens hem in overeenstemming met dat wat de stichting wil. Volgens verzoeker hebben de rechters ter zitting bovendien anders gehandeld dan volgens het beschreven beleid van de Raad, omdat er geen prijs op werd gesteld dat hij zijn toelichting op papier zou afgeven. De voorzitter zou herhaaldelijk hebben uitgesproken dat verzoekers toelichting op papier niet door de Raad wordt geaccepteerd. Hoewel het voorlezen tijdens de zitting door de rechters als toelichting is beschouwd, wordt deze volgens verzoeker niet in overweging genomen. Verzoeker veronderstelt dat de woorden die hij ter zitting heeft geuit zijn verwaaid. Volgens hem is het ook de bedoeling van de rechters geweest om zijn toelichting niet in het procesdossier op te nemen en niet bij de zaak in overweging te nemen. In dit verband heeft hij erop gewezen dat zijn schriftelijke toelichting door de Raad bij brief van 24 april 2015 is teruggezonden.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:16, eerste lid, van de Awb dient het verzoek om wraking te worden gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Voor zover het verzoek van verzoeker betrekking heeft op de wijze waarop de rechters ter zitting de vragen hebben gesteld en hun meningen zouden hebben geuit, wordt vastgesteld dat dit verzoek niet tijdig is gedaan. Verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer gezegd dat hem al bij het verlaten van de zittingszaal het gevoel bekroop dat de vraagstelling partijdig was geweest. Verzoeker heeft echter na de zitting meer dan een maand gewacht met het indienen van een verzoek om wraking. Aldus is niet voldaan aan artikel 8:16, eerste lid, van de Awb, met welke bepaling wordt beoogd te voorkomen dat door de indiening van een verzoek om wraking de goede voortgang van de procedure onredelijk wordt vertraagd. Het verzoek om wraking, voor zover het betrekking heeft op de wijze van vraagstelling ter zitting, zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat betekent dat deze wrakingsgrond niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Het verzoek om wraking, voor zover dit ziet op het niet mogen overleggen van de schriftelijke toelichting, is wel tijdig gedaan. Verzoeker heeft pas op 15 mei 2015 kennis kunnen nemen van de brief van de Raad van

24 april 2015, waarbij zijn schriftelijke toelichting retour is gezonden. In zoverre kan het wrakingsverzoek wel inhoudelijk worden beoordeeld.


3.2.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).


3.3.

Voorop gesteld wordt dat de wrakingskamer zich kan indenken dat voor verzoeker de gang van zaken op de zitting van 9 april 2015 niet duidelijk was. Verzoeker is bij brief van

19 februari 2015 erop gewezen dat de rechters op de zitting zullen beginnen met het stellen van vragen aan partijen over de feiten en de geschilpunten en dat het opstellen en voorlezen van een pleitnota niet nodig is. Voorts is hij erop gewezen dat hij daarna de gelegenheid krijgt om punten die naar zijn oordeel onderbelicht zijn gebleven beknopt naar voren te brengen. De wrakingskamer heeft ter zitting vastgesteld dat bij deze uitnodigingsbrief nog een brochure was bijgesloten, waarin expliciet was opgenomen dat de Raad het op prijs stelt dat, als een toelichting op papier staat, hiervan vooraf een kopie wordt gegeven aan de andere partij en aan de griffier. Deze brochure bevatte niet de inmiddels wel gehanteerde passage dat voor de behandeling van ambtenarenzaken een andere manier van behandelen geldt. Bij verzoeker kon dan ook de gerechtvaardigde verwachting bestaan dat de rechters belang hechtten aan een afschrift van de namens hem ter zitting gegeven toelichting. Daar staat tegenover dat de echtgenote van verzoeker in de gelegenheid is gesteld de schriftelijke toelichting ter zitting voor te lezen, zodat de rechters kennis hebben genomen van de inhoud ervan. In het

proces-verbaal van de zitting is de nadere toelichting van verzoeker ook opgenomen, zodat deze onderdeel uitmaakt van de stukken. De ter zitting gegeven toelichting zal, zoals verzoeker ook bij brief van 24 april 2015 is bericht, dus bij het oordeel van de Raad worden betrokken. De gang van zaken op de zitting van 9 april 2015 vormt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de behandelend rechters met betrekking tot de beoordeling van het herzieningsverzoek ten opzichte van verzoeker vooringenomen zijn dan wel dat de bij verzoeker bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek wordt, voor zover het ziet op het niet mogen verstrekken van de schriftelijke toelichting, afgewezen.


3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om wraking, voor zover het betrekking heeft op de wijze van vraagstelling ter zitting, niet-ontvankelijk zal worden verklaard en dat het verzoek om wraking, voor zover het ziet op het niet mogen verstrekken van de schriftelijke toelichting, zal worden afgewezen.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het verzoek om wraking, voor zover het betrekking heeft op de wijze van

vraagstelling ter zitting, niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om wraking, voor zover het ziet op het niet mogen verstrekken van de

schriftelijke toelichting, af.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en W.H. Bel en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2015.



(getekend) M. Greebe




(getekend) P. Uijtdewillegen



HD