Centrale Raad van Beroep, 10-07-2015 / 15-2351 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2265

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen spaarrekening. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over het tegoed kon beschikken. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-10
Publicatiedatum
2015-07-14
Zaaknummer
15-2351 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2351 WWB, 15/4044 WWB-VV

Datum uitspraak: 10 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015, 14/6621 (aangevallen uitspraak).

Verzoeker heeft een verweerschrift ingediend.

Namens verzoeker heeft mr. L. de Rijk, advocaat, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. M.C.A.M. van der Meer, kantoorgenoot van mr. De Rijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn.

OVERWEGINGEN


1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Verzoeker ontving sinds 5 april 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Uit een bestandsvergelijking met gegevens van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat op 31 december 2012 een en/of-spaarrekening bij de ASN-bank met nummer [spaarrekening] (spaarrekening) op naam van verzoeker en zijn moeder staat geregistreerd met een saldo van

€ 31.375,-. Naar aanleiding hiervan heeft de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de vermogenssituatie van verzoeker. In dat kader is verzoeker bij brief van 27 mei 2014 verzocht om nadere gegevens, waaronder bankafschriften van de spaarrekening over de periode van 1 oktober 2012 tot 5 april 2013, over te leggen. Op 30 mei 2014 heeft verzoeker de gevraagde gegevens overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 juni 2014.


1.3.

Bij besluit van 12 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 oktober 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van verzoeker ingetrokken met ingang van

5 april 2013. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker bij zijn aanvraag om bijstand op 5 april 2013 geen melding heeft gemaakt van de spaarrekening. Het saldo op de spaarrekening bedroeg op 9 april 2013 € 28.633,16. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon beschikken over het tegoed op de spaarrekening. Nu het vermogen van verzoeker bij de aanvang van de bijstand hoger was dan de grens van het vrij te laten vermogen, had verzoeker geen recht op bijstand.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en, zelf voorziend, het besluit van 12 juni 2014 herroepen. De rechtbank heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk niet heeft beschikt en ook redelijkerwijs niet kon beschikken over het tegoed op de spaarrekening. Dat appellant wist van de spaarrekening is niet voldoende.


3. Het college heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het college heeft aangevoerd dat verzoeker redelijkerwijs kon beschikken over het tegoed op de spaarrekening. Verzoeker had evenveel zeggenschap over deze rekening als zijn moeder en had de mogelijkheid een andere tegenrekening aan de spaarrekening te koppelen. Dat aan deze rekening alleen een bankrekening van de moeder van verzoeker was gekoppeld, de stortingen op deze rekening alleen door de moeder van verzoeker zijn gedaan en geen afschrijvingen ten behoeve van verzoeker zijn gedaan, doet hieraan niet af.


4. Verzoeker heeft, gelet op de schorsende werking van het hoger beroep van het college tegen de aangevallen uitspraak, verzocht een voorlopige voorziening te treffen.


5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


5.2.

Het college heeft een terugvorderingsbesluit genomen op basis van het bestreden besluit. Het college heeft ter zitting meegedeeld de effectuering van het terugvorderingsbesluit te staken als het bestreden besluit geen standhoudt. Daarmee ontbreekt niet ieder spoedeisend belang aan het verzoek.


5.3.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.


5.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 5.3 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Hierbij is in aanmerking genomen dat verzoeker heeft verzocht om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en namens het college ter zitting van de Raad is aangegeven dat hiertegen geen bezwaar bestaat.


5.5.

Vaststaat dat de spaarrekening gedurende de periode van 5 april 2013 tot en met 12 juni 2014 (te beoordelen periode) mede op naam van verzoeker stond en het saldo daarop per

9 april 2013 € 28.633,16 bedroeg. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker geen stortingen heeft gedaan op deze spaarrekening en dat opnamen van deze spaarrekening niet door hem zijn ontvangen. Tussen partijen is in geschil of verzoeker redelijkerwijs over het saldo op de spaarrekening kon beschikken.


5.6.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7336) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een verzoeker staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de verzoeker om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van

27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6097) moet, mede gelet op artikel 11 van de WWB, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid van een verzoeker de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.


5.7.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is verzoeker er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij redelijkerwijs niet kon beschikken over het tegoed op de spaarrekening. Uit de vaststaande omstandigheden dat verzoeker nimmer de beschikking heeft gehad over een bankpas van de spaarrekening en dat direct noch indirect gelden van of naar de spaarrekening zijn overgeboekt naar of van een rekening van verzoeker vloeit niet voort dat verzoeker niet de mogelijkheid had om het tegoed op de spaarrekening feitelijk aan te wenden. Uit de brief van de ASN-bank van 29 juli 2014 blijkt dat de ING-rekening van zijn moeder als enige tegenrekening was gekoppeld aan de spaarrekening en dat het mogelijk is geld over te boeken van de spaarrekening naar een gekoppelde tegenrekening op naam van ten minste een van de twee rekeninghouders. Voorts wordt in die brief vermeld dat beide rekeninghouders evenveel zeggenschap hebben op de rekening en bevoegd zijn onafhankelijk van elkaar wijzigingen aan te brengen. Verzoeker had dan ook de volledige beschikkingsmacht over de spaarrekening. Zo had hij als mede-rekeninghouder zonder medewerking van zijn moeder aanspraak kunnen maken op het tegoed dan wel met een enkele mededeling aan de bank een andere tegenrekening aan de spaarrekening kunnen (laten) koppelen en zo kunnen beschikken over het tegoed. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in die beschikkingsmacht was beperkt. Dit blijkt ook niet uit de verklaringen van de moeder van verzoeker. Uit die verklaringen blijkt dat de moeder van verzoeker voor verzoeker spaarde en dat het juist de bedoeling was dat verzoeker ingeval van onvoorziene omstandigheden over het tegoed op de spaarrekening zou kunnen beschikken.


5.8.

Verzoeker heeft de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te doen aan het college van de spaarrekening. Het gaat hier om gegevens waarvan het verzoeker redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het betoog van verzoeker dat hij niet bewust de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij geen wetenschap had van de spaarrekening, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

27 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BH3133) kan van een schending van de inlichtingenverplichting sprake zijn ook indien de betrokkene niet kan worden verweten dat hij de gegevens waarop de inlichtingenverplichting ziet niet bij het college heeft gemeld. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de moeder van verzoeker dat verzoeker heeft meegewerkt aan het openen van de spaarrekening en dat hij ervan op de hoogte was dat zij voor hem spaarde.


5.9.

Uit 5.5 tot en met 5.8 volgt dat het college bevoegd was de bijstand van appellant over de te beoordelen periode in te trekken. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. In beroep is de uitoefening van intrekkingsbevoegdheid niet bestreden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep daarom ongegrond verklaren. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding.


BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2015.





(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) B. Rikhof




HD