Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 14-227 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2317

Inhoudsindicatie
Weigering WGA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-07-19
Zaaknummer
14-227 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/227 WIA

Datum uitspraak: 12 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 december 2013, 12/6475 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stap. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep B.E. Evegaars.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, heeft zich met ingang van 29 september 2010 vanuit een situatie dat hij een uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld vanwege psychische klachten.


1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv vastgesteld dat bij appellant sprake is van een obsessief compulsieve stoornis (smetvrees). Appellant is daardoor beperkt ten aanzien van deadlines en produktiepieken en mag niet werken in een stoffige of onhygiënische omgeving. Appellant kan wel werkzaamheden verrichten waarin geen sprake is van veelvuldige storingen of onderbrekingen, contact met klanten, patiënten of hulpbehoevenden, in een niet vuile omgeving en met een beperkte groep van vaste collega’s. Hij dient in de nabijheid te werken van een plek waar hij zijn handen kan wassen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft met inachtneming van deze beperkingen functies geselecteerd die passen bij de belastbaarheid van appellant. Het Uwv heeft bij besluit van 18 september 2012 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 26 september 2012 geen recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op minder dan 35%.


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 september 2012 is, met inachtneming van het advies van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, door het Uwv bij besluit van 22 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende hebben gemotiveerd waarom de beperkingen zoals vastgelegd in de FML recht doen aan de klachten van appellant. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De door appellant ter zitting van de rechtbank overgelegde brief van GGZ inGeest van 6 augustus 2013 bevat geen informatie die relevant is voor het tijdstip in geding. Met het medicatiegebruik van appellant is voldoende rekening gehouden. De rechtbank ziet geen aanleiding tot twijfel aan de medische geschiktheid van de voor appellant geselecteerde functies.

3. In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep, namelijk dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat zijn belastbaarheid met de geselecteerde functies wordt overschreden. Ter zitting heeft appellant aanvullend betoogd dat de geselecteerde functies botsen met de beperking ten aanzien van deadlines en produktiepieken en tevens botsen met de beperking ten aanzien van de voor appellant noodzakelijke hygiëne.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank en het oordeel waartoe deze overwegingen de rechtbank hebben geleid. De grond dat appellant in de FML onvoldoende beperkt is geacht waar het zijn energiehuishouding betreft is door de verzekeringsartsen van het Uwv gemotiveerd weerlegd met verwijzing naar het gedrag van appellant als oorzakelijke factor. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daar nog aan toegevoegd dat de obsessief compulsieve stoornis van appellant op energetische noch op preventieve gronden tot een additionele beperking in werktijden noopt. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die tot twijfel leidt aan de motivering van de verzekeringsartsen. De Raad is met de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn reactie op de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische stukken van oordeel dat deze stukken slechts de door de verzekeringsarts gestelde diagnose bevestigen en aldus geen nieuwe informatie bieden. Deze grond slaagt daarom niet.


4.2.

De grond dat de voor appellant geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschrijden slaagt evenmin. Appellant heeft niet onderbouwd dat de beperkingen door de verzekeringsarts ten aanzien van produktie en hygiëne niet juist zijn vastgesteld. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd waarbij geen overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant zijn geconstateerd. De geselecteerde functies tonen geen signaleringen voor veelvuldige deadlines of produktiepieken of voor werken in een niet stoffige of onhygiënische omgeving. De arbeidsdeskundige heeft voorts na zijn gesprek met appellant en na het raadplegen van het CBBS-systeem overleg gehad met de verzekeringsarts. De Raad heeft geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de arbeidskundige onderbouwing en is met de rechtbank van oordeel dat met de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) P. Uijtdewillegen




JvC