Centrale Raad van Beroep, 30-01-2015 / 13-2378 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:234

Inhoudsindicatie
Weigering vervoersvoorziening om werkplek te bereiken. Geen medische noodzaak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-30
Publicatiedatum
2015-02-03
Zaaknummer
13-2378 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2378 WIA

Datum uitspraak: 30 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 april 2013, 12/7968 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN


1. Appellant was bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties werkzaam als senior adviseur voor 36 uur per week. Vanwege ernstige rug- en nekklachten is hij in 2007 gedeeltelijk voor dat werk uitgevallen. Bij besluit van 16 december 2009 heeft het Uwv hem met ingang van 26 mei 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen uit arbeid (Wet WIA) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.


2. Bij brief van 9 december 2011 hebben appellant en zijn werkgever een aanvraag vergoeding vervoer over de periode januari 2010 tot en met februari 2011 bij het Uwv ingediend. Na arbeidskundig onderzoek waarbij kennis is genomen van een rapport van een verzekeringsarts en van een Functionele Mogelijkhedenlijst van december 2009, is het verzoek bij besluit van 6 juni 2012 afgewezen op de grond dat een medische noodzaak voor de vervoersvergoeding ontbreekt. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2012.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen geen aanknopingspunten te zien om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in samenhang met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts voor onjuist te houden. Ook was de rechtbank van oordeel dat het arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig was verricht en dat de door appellant daartegen ingebrachte gronden geen doel kunnen treffen.


4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat er wel degelijk een medische noodzaak bestaat om hem een vervoersvoorziening toe te kennen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere medische gegevens ingestuurd.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA is - voor zover van belang - bepaald dat het Uwv aan een persoon met een naar het oordeel van het Uwv structurele functionele beperking, die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, op aanvraag voorzieningen kan toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. In het tweede lid van dat artikel wordt een limitatieve opsomming gegeven van voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. Onder a wordt daarbij vermeld: vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken.

5.2.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. Evenals de rechtbank heeft gedaan, wordt geoordeeld dat sprake is van voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, de hoorzitting van 11 juli 2012 bijgewoond en appellant aansluitend op het spreekuur gezien en hem lichamelijk onderzocht. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat, gelet op de bij appellant geobjectiveerde afwijkingen, niet valt in te zien waarom hij niet zelfstandig per tram naar en van zijn werkplek zou kunnen reizen. Met betrekking tot de door appellant bij brief van 14 november 2014 ingebrachte nadere medische stukken wordt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals neergelegd in zijn rapport van 19 november 2014, onderschreven dat deze stukken geen betrekking hebben op de hier in geding zijnde periode van januari 2010 tot en met februari 2011 en zij daarom niet kunnen bijdragen aan het standpunt van appellant dat zijn medische beperkingen het hem onmogelijk maakten om in die periode met het openbaar vervoer te reizen.


6. De overwegingen 5.1 en 5.2 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) I. Mehagnoul




JvC