Centrale Raad van Beroep, 14-07-2015 / 14-115 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2348

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering. Geen toereikende grondslag voor gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-14
Publicatiedatum
2015-07-16
Zaaknummer
14-115 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/115 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 25 november 2013, 13/800 en 13/801 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J.M. Nijholt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nijholt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P. Bethlehem. Ter zitting is als getuige gehoord L.L. Petrovic.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 1 maart 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Zij woont met haar vier minderjarige kinderen op het [uitkeringsadres] te [woonplaats 1] (uitkeringsadres). [A.] (A) is de vader van de twee jongste kinderen. A staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans basisregistratie personen, op het [adres 2] te [woonplaats 2].


1.2.

Naar aanleiding van een gesprek dat appellante op 4 april 2013 met haar klantmanager heeft gevoerd, is het vermoeden gerezen dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met A. Hierop is de sociale recherche van de gemeente Emmen gestart met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht en hebben gedurende de periode van 16 april 2013 tot en met 20 juni 2013 waarnemingen plaatsgevonden in de omgeving van het uitkeringsadres. Voorts heeft de sociale recherche appellante op 20 juni 2013 verhoord en aansluitend aan het verhoor een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 juli 2013.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 juli 2013 de bijstand met ingang van 1 maart 2012 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 mei 2013 tot een bedrag van

€ 20.055,20 van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij niet aan het college heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voert met A. Appellante had om die reden geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.4.

Bij besluit van 17 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft vervolgens zelf in de zaak voorzien door de datum met ingang waarvan tot intrekking en terugvordering wordt overgegaan, te bepalen op 1 juli 2012. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de resultaten van het onderzoek niet de conclusie kan worden getrokken dat reeds met ingang van 1 maart 2012 sprake was van een gezamenlijke huishouding, omdat appellante op 20 juni 2013 heeft verklaard over 'het laatste jaar' en geen onderzoeksbevindingen voorhanden zijn over de periode voor 1 juli 2012.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de bijstand is ingetrokken en teruggevorderd met ingang van 1 juli 2012. Zij heeft in hoofdzaak aangevoerd dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 juli 2012 tot en met 9 juli 2013.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.4.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft

plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.


4.5.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie tussen appellante en A twee kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of in de periode hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en A hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.6.1.

Het college en de rechtbank hebben met name betekenis toegekend aan de volgende verklaringen die appellante op 20 juni 2013 tegenover de sociaal rechercheurs heeft afgelegd: "[A.] is veel in zijn zaak. Sinds kort is hij op de maandag vrij. Dan is hij thuis bij mij. [A.] maakt lange dagen in zijn zaak. Als [A.] vrij is en niet hoeft te werken is hij vrijwel altijd bij mij. Een enkele keer slaapt hij in [woonplaats 2] en ook wel eens bij zijn zus in [woonplaats 3]. Het laatste jaar is [A.] vrijwel iedere dag bij mij thuis. Dat komt ook door de komst van het laatste kind." en "[A.] en ik brengen de kinderen om de beurt naar school. Ik pas dan op de kinderen of [A.] doet dat. Dat gebeurt vijf dagen per week. Wij hebben dat zo afgesproken. Donderdag en vrijdag haal ik de kinderen altijd op. [A.] is dan al aan het werk in [woonplaats 2]."


4.6.2.

Deze verklaringen van appellante bieden echter onvoldoende grondslag voor de conclusie dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Uit de op 20 juni 2013 afgelegde verklaringen blijkt immers ook dat A in verband met de uitoefening van zijn eigen bedrijf, [naam bedrijf], veel in [woonplaats 2] was, waar hij ook wel sliep. Uit een waarneming van de sociaal rechercheurs blijkt dat het [naam bedrijf] is gevestigd op hetzelfde adres in [woonplaats 2] waar A ook in de GBA ingeschreven staat. Het restaurant is gevestigd op de benedenverdieping en de bovenverdieping zou ingericht kunnen zijn als een woning, maar dat is niet nader onderzocht. Uit de verklaring van appellante volgt weliswaar dat A vrijwel iedere dag bij haar thuis is, maar zij verklaart ook dat dit samenhangt met de komst van het jongste kind dat is geboren op 5 november 2012. De sociaal rechercheurs hebben niet doorgevraagd over de aard en de duur van het verblijf van A bij appellante. Dat A meerdere momenten per week bij appellante was om de kinderen te zien, om de kinderen naar school te brengen en appellante te ondersteunen bij de zorg voor de kinderen maakt niet dat A ook zijn hoofdverblijf bij appellante had. Ook het enkele feit dat tijdens de waarnemingen vrijwel altijd de rode BMW van A en op meerdere dagen ook een andere auto van A bij de woning van appellante is aangetroffen, rechtvaardigt niet de conclusie dat A zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. A beschikte immers naast de BMW, van welke auto voornamelijk door appellante gebruik werd gemaakt, ook over een grijze Ford Focus en een bedrijfsauto. Weliswaar is in de omgeving van het uitkeringsadres op meerdere momenten naast de BMW een van de andere auto’s van A waargenomen, maar de frequentie is niet zodanig dat hieruit zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres kan worden afgeleid.


4.7.

Evenmin kan betekenis worden gehecht aan de bevindingen tijdens het op 20 juni 2013 afgelegde huisbezoek. In de woning van appellante zijn, behoudens wat kleding van A, geen persoonlijke spullen of administratie van A aangetroffen. De enkele aanwezigheid van wat kledingstukken is onvoldoende om te concluderen dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante. Dit klemt te meer nu geen huisbezoek is afgelegd aan het adres waar A stond ingeschreven, geen buurtonderzoek heeft plaatsgevonden in de nabijheid van het uitkeringsadres en A niet is gehoord.


4.8.

Uit hetgeen is overwogen in 4.6 en 4.7 volgt dat de onderzoeksresultaten geen toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Dit betekent dat in die periode geen sprake was van een gezamenlijke huishouding van appellante en A. Hieruit vloeit voort dat geen toereikende basis bestond voor de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellante. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van appellante geen bespreking meer.


4.9.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de Raad de aangevallen uitspraak voor de duidelijkheid in zijn geheel zal vernietigen, behoudens voor zover daarbij is beslist over griffierecht en proceskosten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het uitgesloten wordt geacht dat het college alsnog aannemelijk zal kunnen maken dat appellante en A in de te beoordelen periode hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, bestaat tevens aanleiding het primaire besluit van

9 juli 2013 te herroepen omdat dit besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grond is gebaseerd.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist over

griffierecht en proceskosten;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 17 oktober 2013;

- herroept het besluit van 9 juli 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag

van € 980,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 118,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en P.W. van Straalen en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) M.S. Boomhouwer



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.



HD