Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 11-5506 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:236

Inhoudsindicatie
De opdracht, neergelegd in de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1414), heeft geleid tot een gewijzigd besluit. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat betrokkene geen recht heeft op een WAO-uitkering. De (uiteindelijk op 9 oktober 2014) vastgestelde beperkingen zijn in de rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd. De passendheid van de geselecteerde functies is afdoende toegelicht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-02-03
Zaaknummer
11-5506 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/5506 WAO, 13/5991 WAO

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 augustus 2011, 10/4602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 29 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1414, een tussenuitspraak gedaan.

De opdracht, neergelegd in de tussenuitspraak, heeft geleid tot een gewijzigde beslissing op bezwaar van 6 augustus 2013 (bestreden besluit 2).

Partijen hebben naar aanleiding van bestreden besluit 2 op elkaars nadere standpunten gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Wintjes.

OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar de hiervoor vermelde tussenuitspraak.


2. Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.


3. Appellant heeft erkend dat bestreden besluit 2 tot gevolg heeft dat het ingestelde hoger beroep geen nadere bespreking meer behoeft.


4.1.

Bij bestreden besluit 2 heeft appellant het standpunt gehandhaafd dat betrokkene geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daartoe is overwogen dat betrokkene, na het vervullen van de wachttijd van

52 weken vanaf 10 juni 2003, per 10 juni 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt is omdat hij met zijn beperkingen in staat is de voor hem geselecteerde functies te vervullen. Dat leidt tot een verlies aan verdienvermogen van minder dan 15%.


4.2.

Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de gebreken in de besluitvorming, zoals vermeld in de tussenuitspraak, noch in medisch noch in arbeidskundig opzicht zijn hersteld. Over het medisch aspect heeft betrokkene gesteld dat hij enkele dagen na einde wachttijd in juni 2004 reeds naar een intakegesprek is geweest voor een nieuwe psychiatrische behandeling zodat hij al na korte tijd geen benutbare mogelijkheden meer had. Hij was in ieder geval niet in staat hele dagen te werken. Bovendien meent hij dat zijn beperkingen zijn onderschat en niet zijn te rijmen met de beoordeling door verzekeringsarts Jhagru op

1 september 2004 en de daarna bekend geworden medische gegevens. Zijn arbeidskundige bezwaren richten zich tegen de belastende factoren van de geselecteerde functies en de functies met Sbc-code 111180 en 264140, die volgens betrokkene te weinig van elkaar verschillen.


5.1.

Appellant wordt gevolgd in het standpunt dat betrokkene per 10 juni 2004 minder dan 15 % arbeidsongeschikt was. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep Swaan van 10 juli 2013 en 18 november 2013 en het nadere rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep Van Geest van 9 oktober 2014 blijkt afdoende dat bij de beoordeling alle reeds aanwezige dossiergegevens zijn betrokken, inclusief de medische informatie over betrokkene in 2004 (Erasmus MC), 2004/2005, 2006 en 2009 (GGZ Delftland) en de beschikbare verzekeringsgeneeskundige onderzoeken vanaf 2002. Ter zitting is, met verwijzing naar het rapport van Swaan van 18 november 2013, afdoende toegelicht dat bij de beoordeling van betrokkenes gezondheid het protocol borderline is gebruikt. De (uiteindelijk op 9 oktober 2014) vastgestelde beperkingen zijn in de rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd.


5.2.

Anders dan betrokkene stelt, ziet de Raad in het rapport van Erasmus MC van

21 juni 2004 geen aanknopingspunten voor het aannemen van verdergaande beperkingen per 10 juni 2004. Het rapport, dat een intake psychiatrie betreft, vermeldt dat er naast enkele klachten, passend bij een cluster B persoonlijkheidsstoornis en een afhankelijkheid van alcohol en cannabis, geen andere psychiatrische symptomen in engere zin zijn. Dat het zich moeten richten op werk kans op decompensatie zou geven, kan uit dat rapport niet worden afgeleid. Ook de door betrokkene gestelde noodzaak om in ieder geval een urenbeperking aan te nemen, vindt geen steun in de medische stukken die op de datum in geding betrekking hebben, terwijl het voornemen in 2004 om (weer) een behandeling te starten niet met zich brengt dat sprake zou zijn van een situatie van geen benutbare mogelijkheden per einde wachttijd. Het rapport van Argonaut arts Jhagru van 1 september 2004 bevat een verzekeringsgeneeskundige verklaring Rea en geeft in dat kader een beoordeling met betrekking tot de datum 1 september 2004. Gelet hierop kan aan dat rapport geen doorslaggevende betekenis toekomen voor betrokkenes WAO-aanspraken op de datum in geding. Eerst in het neuropsychologisch en persoonlijkheidsonderzoek van GGZ Delfland in 2007 wordt melding gemaakt van achteruitgang in intellectuele vaardigheden, en in het rapport van GGZ Delfland, 24 juni 2009 wordt, naast vermelding van een geleidelijke psychiatrische achteruitgang vanaf november 2004, ook melding gemaakt van sinds 2008 toegenomen lichamelijke klachten. Deze ontwikkelingen in de gezondheidssituatie van betrokkene kunnen geen gewicht in de schaal leggen voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 10 juni 2004.


5.3.

Ook met de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 2 wordt ingestemd. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 29 juli 2013, 18 november 2013 en 13 oktober 2014 de passendheid van de geselecteerde functies afdoende toegelicht. Aansluitend aan die rapporten is ter zitting door appellant overtuigend toegelicht dat geen functies zijn geduid die onder dezelfde Sbc-code zouden behoren te vallen, nu van de functies met Sbc-code 111180 en Sbc-code 264140 zowel het niveau van vereiste bekwaamheden als ook de feitelijke werkzaamheden van elkaar verschillen. Voor de vraag of sprake is van relativering van betrokkenes vastgestelde beperkingen die de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat, kan de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 13 oktober 2014, met verwijzing naar de rapporten van 29 juli 2013 en

18 november 2013, worden gevolgd dat het aspect handelingstempo in de functie afbiester dekbedden passend is.


5.4.

Gelet op hetgeen in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, is er geen aanleiding om een deskundige in te schakelen voor nader onderzoek, zoals door betrokkene verzocht.


6. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet. Nu de medische grondslag van dat besluit eerst in oktober 2014 voldoende is gemotiveerd, is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.


7. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard, met veroordeling van appellant in de proceskosten in hoger beroep van betrokkene.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 2181,50;
  • - bepaalt dat van het Uwv in hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 454,-.


Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en C.C.W. Lange en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) K. de Jong






NK