Centrale Raad van Beroep, 08-06-2015 / 13-3372 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:2377

Inhoudsindicatie
Termijnoverschrijding: de in hoger beroep door appellant aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven. Verzoek om herziening besluit van 3 januari 2003: Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag en de periode na de aanvraag. Voorafgaand: mbt zowel de grondslag als het maatmaninkomen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het rapport van de arbeidsdeskundige uit 2001 niet kan worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Tijdvak na de aanvraag van 14 mei 2012: de rechtbank heeft het bestreden besluit 1 op juiste wijze getoetst en haar oordeel over de grondslag van appellants (Wet) Wajong-uitkering in de plaats gesteld van het bestreden besluit 1. De door appellant beoogde vaststelling van een hoger maatmaninkomen kan niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 80 tot 100%, nu appellant ten tijde van zijn verzoek van 14 mei 2012 een Wet Wajong-uitkering ontving en zijn mate van arbeidsongeschiktheid al was vastgesteld op 80 tot 100%.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-08
Publicatiedatum
2015-07-21
Zaaknummer
13-3372 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3372 WAJONG

Datum uitspraak: 8 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 mei 2013, 12/5330 en 12/6734 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 3 januari 2003 bepaald dat de korting in verband met inkomsten uit arbeid op appellants uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 februari 2003 komt te vervallen.

1.2. Appellant heeft het Uwv bij brief van 14 mei 2012 verzocht om terug te komen op het besluit van 3 januari 2003. Dit verzoek is bij brief van 9 juli 2012 afgewezen. Het bezwaar van appellant hiertegen is bij besluit van 22 augustus 2012 (bestreden besluit 1)

niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 9 juli volgens het Uwv geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft op 14 september 2012 geklaagd over de wijze waarop het Uwv zijn brieven afhandelde. Deze brief is door het Uwv mede opgevat als een bezwaarschrift tegen het besluit van 3 januari 2003.

1.3. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant van 14 september 2012 tegen het besluit van

3 januari 2003 bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit 2) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift na afloop van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken is ingediend. Daarbij is vermeld dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken, waardoor appellant niet eerder in de gelegenheid was om (tijdig) een bezwaarschrift in te dienen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit 1 vernietigd en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juli 2012 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de brief van 9 juli 2012 wel degelijk als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt, omdat in die brief het verzoek om terug te komen van een eerder besluit door het Uwv feitelijk is afgewezen. De rechtbank heeft aanleiding gezien na de vernietiging van bestreden besluit 1 in de zaak zelf te voorzien door het bezwaar van appellant tegen de weigering om terug te komen van het besluit van 3 januari 2003 ongegrond te verklaren. Voorts heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Voor zover appellant als gevolg van zijn beperkingen niet in staat was om destijds zelf tijdig bezwaar te maken, mocht van hem worden verwacht dat hij iemand had ingeschakeld ter behartiging van zijn belangen. Dat dit voor appellant niet mogelijk was blijkt niet uit het overgelegde rapport neurorevalidatie en evenmin uit appellants eigen verklaring. Dit alles geldt in dit geval te meer nu het bezwaarschrift meer dan negen jaar te laat is ingediend.

3.1. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hij heeft vanwege zijn niet-aangeboren hersenletsel cognitieve klachten. Tijdens de cursus intensieve neurorevalidatie is hem geleerd structuur in zaken aan te brengen, maar bij belangrijke zaken gaat het soms mis en komt er niets meer uit zijn handen. Ten tijde van het besluit van 3 januari 2003 was appellant bezig een andere leefomgeving te vinden en vanaf 2004 heeft hij gewerkt. Appellant heeft destijds het Uwv gevraagd om uitstel voor een reactie, maar zijn verzoek werd afgewezen. Appellant heeft anderen niet om hulp kunnen vragen, omdat dit zou leiden tot allerlei vragen waardoor appellant toch in de zaak zou worden meegezogen. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat hij met het hoger beroep wenst te bereiken dat het Uwv terugkomt van het besluit van 3 januari 2003.

3.2. Het Uwv handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat de door appellant aangevoerde redenen geen verschoonbare termijnoverschrijding opleveren. Ter zitting is van de zijde van het Uwv verklaard zich er niet tegen te verzetten dat het hoger beroep geacht moet worden mede te zijn ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 1.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het hoger beroep van appellant acht de Raad, gelet op het verhandelde ter zitting als in 3.1 en 3.2 weergegeven, gericht tegen het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak over beide bestreden besluiten. De Raad zal eerst overwegingen wijden aan het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 en daarna aan het oordeel over bestreden besluit 1.

4.2. Termijnoverschrijding

4.2.1. Betreffende bestreden besluit 2 is tussen partijen in geschil de uitspraak van de rechtbank voor zover zij, mét het Uwv, geen bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht op grond waarvan appellant niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen tegen het besluit van 3 januari 2003. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 3 januari 2003 na afloop van de bezwaartermijn is ingediend.

4.2.2 Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.3. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1579) moet van een persoon die als gevolg van medische omstandigheden beperkingen ondervindt zoals door appellant gesteld, worden verlangd dat hij of zij - bijvoorbeeld door het inschakelen van derden - voorzieningen treft om de daaraan verbonden risico’s te ondervangen. De rechtbank heeft dit uitgangspunt terecht aan haar beoordeling ten grondslag gelegd.

4.2.4. De in hoger beroep door appellant aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven. In het door appellant overgelegde rapport neurorevalidatie heeft de Raad evenals de rechtbank geen aanwijzingen gevonden voor appellants stelling dat hij niet in staat kon worden geacht om zelf tijdig bezwaar te maken dan wel hulp in te schakelen om tijdig bezwaar voor appellant te maken. Dat hij toen bezig was met het zoeken naar een andere woonruimte en dat hij om de door hem vermelde redenen voor het indienen van bezwaar geen beroep meende te kunnen doen op zijn ouders, echtgenote of iemand anders, leidt niet tot het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Betreffende de termijnoverschrijding slaagt het hoger beroep niet.

4.3. Verzoek om herziening

4.3.1. Betreffende bestreden besluit 1 is tussen partijen in geschil de uitspraak van de rechtbank voor zover zij heeft geoordeeld dat het Uwv terecht geen reden heeft gezien om terug te komen van het besluit van 3 januari 2003.

4.3.2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op een hogere uitkering, omdat deze onjuist was berekend. Appellant heeft daarbij verwezen naar een hardheidsclausule. Met zijn verzoek om herziening van zijn (Wet) Wajong-uitkering heeft appellant daarmee kennelijk niet alleen een herziening van de grondslag, maar ook van het maatmaninkomen beoogd.

4.3.3. Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.

4.3.4. Ter ondersteuning van zijn verzoek van 14 mei 2012 heeft appellant aangevoerd dat de in het besluit van 3 januari 2003 vastgestelde hoogte van zijn Wajong-uitkering onjuist is, omdat de arbeidsdeskundige in diens rapport van 20 september 2001 een hoger maand- en uurloon heeft vastgesteld. Volgens appellant staat in de wet dat recht bestaat op een (Wet) Wajong-uitkering ter hoogte van 1,5 maal het wettelijk minimumloon en is hem dat ook toegezegd door arbeidsdeskundige H.E. van Straalen.

4.3.5. Betreffende zowel de grondslag als het maatmaninkomen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het rapport van de arbeidsdeskundige uit 2001 niet kan worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, omdat het informatie betreft die reeds bekend was voor het besluit van 3 januari 2003 en die appellant in een procedure tegen het besluit van 3 januari 2003 had kunnen inbrengen. Voor een inhoudelijke toetsing van het besluit van 3 januari 2003, voor zover dat de periode voorafgaand aan het verzoek van 14 mei 2012 betreft, is geen plaats. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen zeer bijzondere omstandigheden gelegen die dit in dit geval anders maken.

4.3.6. Wat betreft het tijdvak na de aanvraag van 14 mei 2012 dient onderscheid te worden gemaakt tussen de hoogte van de grondslag van de (Wet) Wajong-uitkering van appellant en de hoogte van het maatmaninkomen dat ten grondslag heeft gelegen aan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.

4.3.7. Betreffende de grondslag van appellants (Wet) Wajong-uitkering heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het bepaalde in artikel 7 van de Wajong, zoals dat gold in 2003 (het huidige artikel 3:7 in de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet Wajong). In dat artikel is kort weergegeven bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag van het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Ingevolge artikel 8 van de Wajong (nu artikel 3:8 van de Wet Wajong) bedraagt de arbeidsongeschiktheidsuitkering 75% van de grondslag. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat geen bepaling in de (Wet) Wajong de mogelijkheid kent tot een hogere grondslag dan die gebaseerd is op het wettelijk minimumloon per maand. De Raad voegt daaraan toe dat van een situatie als bedoeld in artikel 3:9 van de Wet Wajong ten tijde van het verzoek niet is gebleken. Van enige toezegging namens het Uwv dat appellant recht zou hebben op een hogere (Wet) Wajong-uitkering is evenmin gebleken. Hieruit volgt dat de rechtbank het bestreden besluit 1 op juiste wijze heeft getoetst en haar oordeel over de grondslag van appellants (Wet) Wajong-uitkering in de plaats heeft gesteld van het bestreden besluit 1.

4.3.8. Betreffende het maatmaninkomen stelt de Raad vast dat appellant ten tijde van zijn verzoek van 14 mei 2012 een Wet Wajong-uitkering ontving, waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. De door appellant beoogde vaststelling van een hoger maatmaninkomen kan niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 80 tot 100%. De Raad voegt hier aan toe, zoals ter zitting van de Raad is besproken, dat appellant bij werkhervatting en anticumulatie van zijn inkomsten of na een nieuwe herkeuring in de toekomst, het maatmaninkomen opnieuw aan de orde kan stellen.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak met enige verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. van Leeuwen en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) K. de Jong



NK