Centrale Raad van Beroep, 14-01-2015 / 13-3317 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:24

Inhoudsindicatie
Zorgindicatie voor behandeling individueel. Weliswaar valt niet uit te sluiten dat culturele identiteit (Sinti) onder omstandigheden een rol kan spelen bij de realisering van in te zetten zorg, maar culturele identiteit staat niet in de weg aan het op medische gronden indiceren van noodzakelijke zorg ingevolge de AWBZ. Appellante heeft niet aan de hand van medische stukken aannemelijk gemaakt dat de door derden aan haar te verlenen behandeling in verband met haar culturele identiteit contraproductief zal uitpakken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-14
Publicatiedatum
2015-01-15
Zaaknummer
13-3317 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/78 met annotatie van M.F. Vermaat
Uitspraak

13/3317 AWBZ

Datum uitspraak: 14 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 mei 2013, 12/1534 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ



PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 oktober 2014. Voor appellante zijn verschenen mr. Dohmen en de ouders van appellante. CIZ heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren [in] 1990, ervaart beperkingen in haar zelfredzaamheid door een verstandelijke beperking en door psychiatrische problematiek en somatische klachten. Ten gevolge van een auto-ongeval in 2008 heeft zij whiplashklachten in de vorm van lichamelijke vermoeidheidsklachten, nekklachten, hoofdpijn, verstoord dag/nachtritme en lijdt zij aan een PTSS-stoornis.


1.2.

Bij besluit van 12 april 2011 heeft CIZ op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) appellante geïndiceerd voor begeleiding in klasse 2 (2 tot 3.9 uur per week) voor de periode van 12 april 2011 tot 11 april 2013 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).


1.3.

Appellante heeft op 2 februari 2012 een aanvraag ingediend voor uitbreiding van de indicatie tot twintig uur per week voor de functies begeleiding en persoonlijke verzorging.


1.4.

CIZ heeft bij besluit van 6 maart 2012 de aanvraag afgewezen en eerdere indicaties vervallen verklaard omdat behandeling mogelijk is en de zorgbehoefte van appellante daarmee kan worden opgelost. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.


1.5.

Op 28 juni 2012 heeft L. Cornelissen-Houben, arts en medisch adviseur van CIZ, medisch advies uitgebracht. De medisch adviseur schrijft in haar advies dat appellante in de periode van 2008 tot 2010 voor haar klachten in behandeling is geweest bij GGZ Orbis. Over het verloop van deze behandeling heeft de medisch adviseur informatie ingewonnen bij de sociaal psychiatrisch verpleegkundige Engelen. Engelen heeft aangegeven dat de cognitieve behandeling die in de periode van 2008 tot 2010 is ingezet de klachten van appellante eerst heeft verergerd en dat de vervolgens ingezette gedragstherapeutische behandeling onvoldoende werkte. Appellante is dringend geadviseerd de stichting Daelzicht in te schakelen om appellante te begeleiden en op langere termijn toe te werken naar meer zelfstandigheid. Ook is behandeling door de stichting Dichterbij besproken in verband met de verstandelijke vermogens van appellante. De ouders hebben het advies gericht op vervolgbehandeling afgehouden omdat zij appellante zelf wilden begeleiden. De medisch adviseur Cornelissen-Houben schrijft in haar advies dat door appellantes verstandelijke handicap behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet niet als voorliggend te beschouwen is en ook niet haalbaar gebleken is. Zij acht het wel aangewezen dat appellante behandeling krijgt voor haar psychiatrische problematiek door ter zake deskundigen, zoals bij bijvoorbeeld de stichting Dichterbij. Vanuit die deskundigheid kan een voor appellante passende behandeling gegeven worden, rekening houdend met haar zeer zwak begaafd niveau. Daarnaast is er sprake van zeer sterke afhankelijkheid en is begeleiding nodig om te werken aan zelfstandigheid van appellante.


1.6.

Bij besluit van 16 juli 2012 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en appellante geïndiceerd voor behandeling individueel voor de periode van 6 juli 2012 tot 5 juli 2013.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat op grond van het uitgebrachte medisch advies behandeling in het kader van de AWBZ in het geval van appellante is aangewezen en dat het inzetten van de zorgfunctie behandeling individueel de meest effectieve manier is. De behandeling kan specifiek worden afgestemd op de zorgbehoefte van appellante, rekening houdend met de aanwezige beperkingen. Met behandeling individueel is het ook mogelijk om de vader van appellante te betrekken bij de behandeling en hem handvatten te geven hoe om te gaan met de beperkingen van zijn dochter.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de specifieke levensomstandigheden van appellante. Deze houden in dat appellante in een gesloten gemeenschap van Sinti leeft. In deze gemeenschap worden angstklachten ten gevolge van gebeurtenissen tijdens de tweede Wereldoorlog van generatie op generatie doorgegeven. Hulp van derden heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling van appellante. De rechtbank is daaraan voorbij gegaan. Evident is dat een stichting als Daelzicht eveneens negatieve invloed zal hebben op de ontwikkeling van appellante. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het indicatiebesluit van CIZ haaks staat op het besluit om haar broer [naam broer] wel te indiceren voor begeleiding door een lid van het gezin.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het geschil is beperkt tot de grond dat de rechtbank heeft miskend dat ten gevolge van haar culturele identiteit, het behoren tot een leefgemeenschap van Sinti’s, de geïndiceerde en door derden te verstrekken zorg aan appellante contraproductief zal uitpakken. Dit is volgens appellante ook reden om begeleiding vanuit de leefgemeenschap te bieden.


4.2.

Deze grond slaagt niet. Weliswaar valt niet uit te sluiten dat culturele identiteit onder omstandigheden een rol kan spelen bij de realisering van in te zetten zorg, maar culturele identiteit kan naar het oordeel van de Raad niet in de weg staan aan het op medische gronden indiceren van noodzakelijke zorg ingevolge de AWBZ. Appellante heeft niet aan de hand van medische stukken aannemelijk gemaakt dat de door derden aan haar te verlenen behandeling in verband met haar culturele identiteit contraproductief zal uitpakken. Ook overigens bestaan onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan het medisch advies dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. De Raad onderschrijft daarom het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dit oordeel berust, dat CIZ op goede gronden heeft besloten om appellante te indiceren voor de zorgfunctie behandeling individueel.


4.3.

Voor zover appellante heeft betoogd dat sprake is van ongelijke behandeling omdat aan haar broer wel een indicatie voor begeleiding in de vorm van een pgb is verstrekt gaat dit betoog niet op omdat onvoldoende is onderbouwd dat het hier om gelijke gevallen gaat.


4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) K. de Jong







JvC