Centrale Raad van Beroep, 23-07-2015 / 14-3052 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:2442

Inhoudsindicatie
Het voorgaande betekent dat de staatssecretaris bij zijn beslissing op de sollicitatie van appellant het oordeel van de selectiecommissie tot uitgangspunt heeft mogen nemen. Niet gezegd kan dan ook worden dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om appellant niet voor de functie in aanmerking te brengen. Het verleden van appellant als zogeheten wachtkamerkandidaat voor groepsfunctie D kan dat niet anders maken. De bedoelde wachtkamer berustte op een geschiktheidsoordeel uit 1987. Enige jaren geleden is de wachtkamer opgeheven. Wat ook de precieze beweegredenen van de staatssecretaris voor die opheffing zijn geweest, voor de conclusie dat de staatssecretaris het bewuste geschiktheidsoordeel ook na die opheffing nog tot uitgangspunt had moeten nemen, bestaat alleen al vanwege het verre verleden waarin dit oordeel tot stand is gekomen, geen grond.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-23
Publicatiedatum
2015-07-24
Zaaknummer
14-3052 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/3052 AW

Datum uitspraak: 23 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg

van 23 april 2014, 13/2998 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Verspaandonk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verspaandonk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door P.F.M.A. van Mil.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam als behandelfunctionaris, groepsfunctie C, bij de Belastingdienst Limburg. In 2013 heeft hij gesolliciteerd naar de functie van belastingdeurwaarder, groepsfunctie D. Op 27 maart 2013 heeft een selectiegesprek plaatsgevonden. Bij besluit van 13 mei 2013 is aan appellant meegedeeld dat de keuze niet op hem is gevallen. Daarbij is toegelicht dat appellant onvoldoende heeft gescoord op de combinatie van de gemeten competenties (Flexibiliteit, Vakkennis, Inlevingsvermogen, Integriteit en Durf). De minimale score voor de functie is 45, appellant heeft een score van 38 behaald.


1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 13 mei 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

6 september 2013 (bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2323) is de beslissing van het bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure zoals hier aan de orde het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Zij is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.


3.2.

De selectie naar aanleiding van de sollicitatie van appellant was gebaseerd op de toekenning door ieder van de drie leden van de selectiecommissie van één (zwak), twee (matig), drie (voldoende) of vier (ruim) punten op elk van de vijf beoordeelde competenties Flexibiliteit, Vakkennis, Inlevingsvermogen, Integriteit en Durf. De commissieleden, zijnde een leidinggevende van een deurwaardersteam, een materiedeskundige en een

P&O-medewerker, mochten vanuit hun achtergrond capabel worden geacht om op deze wijze een inschatting te maken van de vaardigheden van appellant in relatie tot de gestelde functie-eisen. Dat geldt ook voor zover meer gedragsmatige competenties als Inlevingsvermogen en Durf aan de orde waren, nu ook deze competenties nadrukkelijk tegen de achtergrond van de functie-eisen dienden te worden, en ook zijn, bezien. De scores op de diverse competenties zijn door de verschillende commissieleden op toereikende wijze toegelicht. Onderlinge discrepanties ontbreken daarbij: een vaststelling als die dat appellant vast lijkt te zitten in patronen en vaste werkwijzen berust op de uitdrukkelijke bevindingen van meerdere commissieleden. Ook de competentie Integriteit is beoordeeld in het licht van de specifiek aan de belastingdeurwaarder te stellen eisen. In dat licht bezien is de desbetreffende score van drie in plaats van vier punten bij alle drie de commissieleden niet onhoudbaar te achten, ook al hebben zich in het arbeidsverleden van appellant geen integriteitsschendingen voorgedaan.


3.3.

Appellant heeft zijn sollicitatie vergezeld doen gaan van een kort cv, dat blijkens het registratiesysteem ook daadwerkelijk is ontvangen, maar, zo valt op te maken uit één van de beoordelingsformulieren, tijdens het selectiegesprek niet ter beschikking stond aan de commissieleden. Hoewel op dit punt kennelijk sprake is van een omissie, is het niet aannemelijk dat het eindoordeel “onvoldoende” anders zou zijn uitgevallen, en kan ook niet worden gezegd dat dit anders had moeten uitvallen, als de commissie het cv bij de hand had gehad. Uit de diverse beoordelingsformulieren blijkt immers dat het arbeidsverleden van appellant, waarvan een uitvoerig stuk zich onder de gedingstukken bevindt, tijdens het selectiegesprek wel degelijk aan bod is gekomen. Ook de stelling van appellant dat de vraagstelling over artikel 18 van de Invorderingswet in relatie tot de zogeheten ANPR niet helemaal correct is geweest, rechtvaardigt, wat er van die stelling overigens op zichzelf beschouwd ook zij, niet de conclusie dat als de zaken in zoverre anders waren gelopen, dit ook tot een ander totaalbeeld bij de commissie had geleid of had moeten leiden. Van belang in dit verband is de mate waarin de totaalscore van appellant van 38 punten achterblijft bij de vereiste score van 45 punten. Er is sprake van een duidelijk tekortkomen. Zelfs al zou moeten worden gezegd dat op een enkel onderdeel net een punt meer had moeten worden gescoord, dan nog tast dit het gegeven eindoordeel niet aan.


3.4.

Het voorgaande betekent dat de staatssecretaris bij zijn beslissing op de sollicitatie van appellant het oordeel van de selectiecommissie tot uitgangspunt heeft mogen nemen. Niet gezegd kan dan ook worden dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om appellant niet voor de functie in aanmerking te brengen. Het verleden van appellant als zogeheten wachtkamerkandidaat voor groepsfunctie D kan dat niet anders maken. De bedoelde wachtkamer berustte op een geschiktheidsoordeel uit 1987. Enige jaren geleden is de wachtkamer opgeheven. Wat ook de precieze beweegredenen van de staatssecretaris voor die opheffing zijn geweest, voor de conclusie dat de staatssecretaris het bewuste geschiktheidsoordeel ook na die opheffing nog tot uitgangspunt had moeten nemen, bestaat alleen al vanwege het verre verleden waarin dit oordeel tot stand is gekomen, geen grond.


3.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) R.G. van den Berg




HD