Centrale Raad van Beroep, 28-07-2015 / 13/6443 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2489

Inhoudsindicatie
Oplegging maatregel. Verlaging bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-28
Publicatiedatum
2015-07-29
Zaaknummer
13/6443 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6443 WWB

Datum uitspraak: 28 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 oktober 2013, 13/2053 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Tang, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Appellant is met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving in de hier van belang zijnde periode bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.


1.2.

Bij besluit van 18 januari 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2012 bij wijze van maatregel verlaagd met 30% gedurende één maand op de grond dat appellant zonder bericht niet is verschenen op een oproep voor een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


1.3.

Naar aanleiding van een melding van vakantie in het buitenland van 25 juli 2012 tot en met 24 augustus 2012 en de mededeling dat hij zich op 27 augustus weer zal melden, heeft het college appellant te kennen gegeven dat hij tot en met 21 augustus 2012 met behoud van bijstand naar het buitenland mag gaan. Wijzigingen in zijn plannen diende appellant onverwijld door te geven. Op 4 september 2012 heeft appellant zich weer bij het college gemeld.


1.4.

Bij besluit van 23 oktober 2012 heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 22 augustus 2012 tot en met 3 september 2012 en de over deze periode teveel ontvangen bijstand tot een bedrag van € 347,98 van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant langer in het buitenland heeft verbleven dan toegestaan.


1.5.

Bij afzonderlijk besluit van 23 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

18 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2012 bij wijze van maatregel verlaagd met 100% gedurende één maand op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij niet onmiddellijk heeft gemeld dat hij niet tijdig uit het buitenland zou terugkeren, als gevolg waarvan ten onrechte of te veel bijstand is verleend. Bovendien heeft het college het percentage van de maatregel verhoogd omdat appellant zich binnen twaalf maanden opnieuw verwijtbaar heeft gedragen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen de opgelegde maatregel ongegrond is verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat de opgelegde maatregel te zwaar is omdat geen sprake is van verwijtbaar handelen dat naar aard en ernst vergelijkbaar is met de gedraging waarvoor binnen twaalf maanden reeds eerder een maatregel van 30% was opgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 12A, eerste lid, Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009 (verordening) luidt, voor zover van belang: “Als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden opnieuw verwijtbaar schuldig maakt aan een naar ernst vergelijkbare of zwaardere gedraging, als bedoeld in artikel 2:

a. (…)

b. stelt het college de maatregel vast op 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand in plaats van 30%; of

c. (…)”.


4.2.

Gelet op wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, beperkt het geschil zich tot de vraag of het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 12A van de verordening inzake recidive. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of de gedraging die nu ter beoordeling voor ligt (huidige gedraging) in ernst vergelijkbaar is met de gedraging waarvoor het college bij besluit van 18 januari 2012 appellant een maatregel van 30% voor de duur van één maand heeft opgelegd (eerdere gedraging).


4.3.

In haar advies heeft de Algemene Bezwaarschriftencommissie overwogen dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet tijdig te informeren over zijn langere verblijf in het buitenland. Als gevolg hiervan heeft appellant ten onrechte bijstand ontvangen tot een bedrag van € 347,98. Volgens de verordening legt het college dan een maatregel van 30% gedurende één maand op. Omdat appellant binnen twaalf maanden al eerder een maatregel van 30% had opgelegd gekregen is sprake van recidive. Het college heeft het advies geheel aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.


4.4.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het college ter verduidelijking van het bestreden besluit uiteen gezet dat de huidige gedraging niet van lichtere aard is dan de eerdere gedraging, omdat in beginsel het percentage van de opgelegde maatregel doorslaggevend is. Voor de eerdere gedraging heeft het college overeenkomstig de verordening een maatregel van 30% gedurende één maand opgelegd. Voor de huidige gedraging kon het college eveneens overeenkomstig de verordening een maatregel van 30% gedurende één maand opleggen, zodat sprake is van een naar ernst vergelijkbare gedraging.


4.5.

Gelet op 4.3 en 4.4 heeft het college toereikend gemotiveerd dat de opgelegde maatregel in overeenstemming is met de verordening. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD