Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 14-2630 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:249

Inhoudsindicatie
Ontslag. Politiefunctionaris heeft een telefoongesprek gevoerd met een informant, dat in het kader van een opsporingsonderzoek tegen die informant is afgeluisterd. Onderzoek naar mogelijke schending van ambtsgeheimen en plichtsverzuim door betrokkene. Van voortvarend handelen, gericht op een zo spoedig mogelijke beëindiging van de aanstelling van betrokkene, is geen sprake geweest. Geen dringende reden voor ontslag, zodat de werkloosheid niet verwijtbaar is. Dit betekent dat ten tijde van het besluit tot weigering van een voorschot aan betrokkene niet de gerechtvaardigde verwachting bestond dat de WW-uitkering blijvend geheel zou worden geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-02-04
Zaaknummer
14-2630 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2630 WW, 14/2659 WW, 14/6215 WW

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (rechtbank) van 3 april 2014, 14/959 en 14/936 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats](betrokkene)

PROCESVERLOOP

De korpschef en het Uwv hebben hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.J. de Wever een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 3 november 2014 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het besluit van

3 november 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja. Betrokkene en mr. De Wever zijn verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was werkzaam als [naam functie] bij de Dienst Regionale Recherche, Criminele Inlichtingen Eenheid van de Nationale politie, [naam eenheid]. Betrokkene heeft op

1 maart 2013 een telefoongesprek gevoerd met een informant, dat in het kader van een opsporingsonderzoek tegen die informant is afgeluisterd. Dit heeft aanleiding gegeven tot het instellen van een onderzoek door het Bureau Integriteit naar mogelijke schending van ambtsgeheimen en plichtsverzuim door betrokkene. In dat kader is betrokkene op 10 april 2013 gehoord. In een rapport van 16 april 2013 zijn de bevindingen van het onderzoek neergelegd.


1.2.

Op basis van het rapport van 16 april 2013 is betrokkene bij besluit van 22 april 2013 met onmiddellijke ingang geschorst. Bij brief van 5 juli 2013 heeft de korpschef betrokkene op de hoogte gesteld van zijn voornemen om betrokkene disciplinair ontslag, subsidiair ongeschiktheidsontslag te verlenen. Betrokkene heeft op 25 juli 2013 een zienswijze ingediend. Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft de politiechef van [naam eenheid] namens de korpschef betrokkene primair op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de straf van disciplinair ontslag opgelegd in verband met zeer ernstig plichtsverzuim en subsidiair op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp ongeschiktheidsontslag verleend. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit.


1.3.

Betrokkene heeft op 27 oktober 2013 een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Omdat op dat moment in verband met de lopende bezwaarprocedure tegen het ontslagbesluit nog onzekerheid bestond over het recht van betrokkene op onverminderde doorbetaling van zijn loon, heeft het Uwv bezien of betrokkene een voorschot kon worden verstrekt. Bij besluit van 15 november 2013, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 12 februari 2014 (bestreden besluit 1), heeft het Uwv geweigerd betrokkene een voorschot toe te kennen. Deze weigering is gebaseerd op de verwachting dat een WW-uitkering bij wijze van maatregel blijvend geheel zou worden geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid van betrokkene, omdat aan diens ontslag een dringende reden ten grondslag lag, te weten het bevragen van politiesystemen voor niet-zakelijke doeleinden.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd, het besluit van 15 november 2013 herroepen, bepaald dat aan betrokkene met ingang van

27 oktober 2013 een voorschot op zijn WW-uitkering wordt toegekend en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit 1. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv dat het bevragen van politiesystemen voor niet-zakelijke doeleinden een objectieve reden is voor ontslag, onderschreven en, na te hebben vastgesteld dat het geschil zich toespitste op de vraag of de aan het ontslag ten grondslag gelegde reden voor de werkgever in de gegeven situatie ook een subjectief dringende reden vormde, geoordeeld dat er, gelet op het tijdsverloop, voor het ontslag van betrokkene geen subjectief dringende reden was. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen:


“ 4.9 De voorzieningsrechter is van oordeel dat gelet op het tijdsverloop in onderhavig geval er voor het ontslag van verzoeker geen subjectief dringende reden was. Hierbij is het volgende van belang. Reeds op 16 april 2013 is een definitief onderzoeksrapport tot stand gekomen, waarmee duidelijk werd welke gedragingen verzoeker verweten worden. Ook is verzoeker op 10 april 2013 hierover gehoord. Op 22 april 2013 is verzoeker geschorst. Vervolgens heeft het tot 5 juli 2013 geduurd voordat de werkgever aan verzoeker een voornemen tot ontslag bekend heeft gemaakt. In deze periode heeft blijkens de gedingstukken geen nader onderzoek aan de zaak plaatsgevonden. Hoewel uit de administratie van de werkgever blijkt dat het dossier in die periode naar verschillende mensen is gestuurd, blijkt uit deze administratie ook dat het dossier van verzoeker ruim een maand heeft stilgelegen, en dat daarnaast vertraging is ontstaan door vakantie van verschillende personen. Hieruit blijkt volgens de voorzieningenrechter niet dat het de werkgever er alles aan was gelegen om het dienstverband met verzoeker zo spoedig mogelijk te beëindigen.

Bovendien heeft de werkgever, nadat op 12 september 2013 duidelijk werd dat verzoeker afzag van een mondelinge toelichting op zijn zienswijze tot 18 oktober 2013 de tijd genomen om tot een definitief ontslagbesluit te komen. Dit terwijl verzoekers leidinggevende na het afzeggen van de mondelinge toelichting direct op 13 september 2013 heeft gereageerd op verzoekers schriftelijke zienswijze. Ook het tijdsverloop na 12 september 2013 laat niet zien dat bij de werkgever de wens bestond om tot een onverwijlde beëindiging van de aanstelling te komen. Het standpunt van verweerder dat deze tijd nodig was om het ontslagbesluit op te stellen, wordt niet gevolgd. Nu verzoekers leidinggevende al op 13 september 2013 uitgebreid heeft gereageerd en het voornemen tot ontslag al was opgesteld, terwijl het definitieve ontslagbesluit slechts een aanpassing betreft van dit voornemen, ziet de voorzieningsrechter niet in waarom de werkgever meer dan een maand de tijd heeft genomen om over te gaan tot het daadwerkelijke ontslag. Hoewel in organisaties als die van de werkgever enige tijd voor overleg en beraad nodig kan zijn alvorens definitieve rechtspositionele stappen kunnen worden ondernomen en de zorgvuldigheid dit soms vereist, kan in het onderhavige geval niet meer worden volgehouden dat de werkgever onverwijld actie heeft ondernomen.


4.10

Geoordeeld wordt dan ook dat aan het ontslag van verzoeker geen dringende reden ten grondslag ligt, zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Verweerder kon niet in redelijkheid het gevraagde voorschot aan verzoeker weigeren. Het beroep is gegrond.”


3.1.

De korpschef heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar een overzicht van de van

22 april 2013 tot en met 18 oktober 2013 ondernomen stappen, een toelichting gegeven op het tijdsverloop. Volgens hem blijkt daaruit dat betrokkene onverwijld is geschorst, de ontslagprocedure onmiddellijk daarna is ingezet, voortvarend is gehandeld, het opstellen van het ontslagbesluit was gebonden aan verschillende ambtenaarrechtelijke zorgvuldigheidsvereisten en de vertraging in de procedure met name aan betrokkene zelf te wijten is geweest. De korpschef heeft zijn standpunt gehandhaafd dat sprake is geweest van voortvarend handelen van zijn kant en daarmee van subjectieve dringendheid. De korpschef heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 maart 2014, 14/981 e.v.


3.2.

Ook het Uwv heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat daarin ten onrechte is geoordeeld dat geen sprake is geweest van een subjectieve dringende reden. Naar de mening van het Uwv blijkt uit de weergave van de korpschef van de gang van zaken na de afronding van het onderzoek, dat voortvarend is gehandeld ondanks de wijzigingen die de reorganisatie van de politie met ingang van 1 januari 2013 met zich heeft gebracht in de besluitvorming over het opleggen van disciplinaire straffen en de extra druk op de politiediensten in verband met de inhuldiging van Koning Willem-Alexander op 30 april 2013. Het Uwv heeft benadrukt dat het ontslagvoornemen half mei 2013 is opgesteld, voorgelegd aan de daarbij betrokken functionarissen en op 20 juni 2013 is ondertekend. Omdat betrokkene toen op vakantie was is in overleg met betrokkene met het verzenden gewacht tot diens terugkeer op 5 juli 2013, wat volgens het Uwv getuigt van goed werkgeverschap. Het Uwv heeft verder benadrukt dat de verdere vertraging in de afronding van het ontslag met name door betrokkene zelf is veroorzaakt, zonder dat de korpschef op enig moment de indruk heeft gewekt dat dit zou leiden tot een andere visie op de laakbaarheid van het gedrag van betrokkene.


3.3.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4.1.

Nadat de korpschef en het Uwv hoger beroep hadden ingesteld tegen de aangevallen uitspraak heeft de korpschef bij beslissing op bezwaar van 19 september 2014 het bezwaar van betrokkene tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Tegen die beslissing op bezwaar heeft betrokkene beroep ingesteld. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze beslissing op bezwaar bij besluit van 3 november 2014 (bestreden besluit 2) de WW-uitkering van betrokkene met ingang van 22 oktober 2013 blijvend geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid. Bij besluit van 6 november 2014 heeft hij het aan betrokkene uitbetaalde voorschot ten bedrag van € 5.000,- van hem teruggevorderd.


4.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4388) wordt het besluit van 3 november 2014, waarbij het Uwv definitief heeft beslist over het WW-recht van betrokkene, gekwalificeerd als een vervanging van het besluit met betrekking tot het voorschot. Het is daarmee een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit wordt mede in de beoordeling betrokken.


4.3.

Het besluit van 6 november 2014 kan niet worden gezien als een vervanging van bestreden besluit 1 en wordt om die reden niet betrokken in de beoordeling.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Voor een weergave van het wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 4.1 en 4.2 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd artikel 4.1, zesde lid, van het Mandaatbesluit Politie 2013, waarin, voor zover van belang, is bepaald dat de politiechef zich bij besluiten op grond van onder meer de artikelen 77 en 94 van het Barp richt naar de uitkomst van de bespreking van de voorgenomen bestraffing in het Landelijk

Strafmaat-overleg.


5.2.

Gezien de tegen de aangevallen uitspraak door de korpschef en het Uwv aangevoerde gronden ligt in hoger beroep uitsluitend de vraag voor of aan het ontslag van betrokkene een subjectief dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Ook betrokkene meent dat uitsluitend deze vraag door de Raad behoeft te worden beantwoord. Daarvoor is het volgende van belang.


5.3.

De rechtbank heeft met name de periode tussen de schorsing van betrokkene op

22 april 2013 en de bekendmaking van het ontslagvoornemen op 5 juli 2013 en de periode tussen de dag waarop betrokkene afzag van een mondelinge toelichting op zijn zienswijze,

12 september 2013, en de verzending van het ontslagbesluit op 18 oktober 2013, te lang geacht om te kunnen volhouden dat de korpschef onverwijld actie heeft ondernomen. Met de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid, weergegeven onder 2 van deze uitspraak, wordt ingestemd. Aan de overwegingen van de rechtbank wordt toegevoegd dat de geldende procedurevoorschriften slechts bespreking van een voornemen tot ontslag in het Landelijk Strafmaat-overleg vereisen. Gebleken is dat dit overleg wekelijks bijeenkomt. Het concept voornemen tot ontslag van betrokkene is op 5 juni 2013 in de map voor het afstemmingsoverleg van 13 juni 2013 geplaatst en op die dag ook daadwerkelijk besproken. De korpschef heeft niet kunnen verklaren waarom bespreking niet eerder dan op 13 juni 2013 mogelijk was. Afgezien daarvan kan de lange duur van de periode tussen de schorsing van betrokkene op 22 april 2013 en het verzenden van het ontslagvoornemen aan betrokkene op

5 juli 2013 niet worden gerechtvaardigd doordat het landelijk overleg moest worden ingeschakeld, nu daarmee slechts negen dagen gemoeid zijn geweest. Dat met de verzending van het ontslagvoornemen is gewacht totdat betrokkene was teruggekeerd van een vakantie vormt evenmin een rechtvaardiging voor de ontstane vertraging, nu die vakantie eerst op

25 juni 2013 begon en verzending van het ontslagvoornemen bij een voortvarende afhandeling vóór die dag had kunnen plaatsvinden. Ten aanzien van de periode vanaf de ontvangst van betrokkenes zienswijze op 25 juli 2013 heeft betrokkene driemaal op zijn verzoek, waarbij telkens vakantie van hem of van zijn advocaat als reden was opgegeven, uitstel gekregen om een mondelinge toelichting te geven op zijn zienswijze. Daarbij is betrokkene telkens ruim de tijd gegeven en heeft het aan de zijde van de korpschef ontbroken aan een strikte regie en bewaking van de termijnen. Van voortvarend handelen, gericht op een zo spoedig mogelijke beëindiging van de aanstelling van betrokkene, is geen sprake geweest. Aan de in 3.1 genoemde uitspraak van de rechtbank Gelderland wordt geen betekenis gehecht, nu de voorzieningenrechter van de Raad onder toepassing van artikel 8:108 in samenhang met artikel 8:86 van de Awb in zijn uitspraak van 14 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2355) tot een ander oordeel is gekomen.


5.4.

Uit 5.3 volgt dat aan het ontslag van betrokkene geen dringende reden ten grondslag heeft gelegen, zodat diens werkloosheid niet verwijtbaar is in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Dit betekent dat ten tijde van het besluit tot weigering van een voorschot aan betrokkene niet de gerechtvaardigde verwachting bestond dat de WW-uitkering blijvend geheel zou worden geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv betrokkene het gevraagde voorschot niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit 1 is vernietigd, zal dan ook worden bevestigd, voor zover aangevochten.


5.5.

Uit 5.4 volgt dat ook het bestreden besluit 2 niet in stand kan blijven, omdat ook daaraan ten onrechte ten grondslag is gelegd dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden. Er bestond geen wettelijke basis voor het weigeren van de gevraagde WW-uitkering, zodat het bestreden besluit 2 wegens strijd met artikel 27 van de WW voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 november 2013.


5.6.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.


6. Er is aanleiding het Uwv en de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden bepaald op € 1.470,- aan kosten van rechtsbijstand. De korpschef en het Uwv worden ieder veroordeeld tot de helft hiervan, een bedrag van € 735,-.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 3 november 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • - draagt het Uwv op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 november 2013 en bepaalt dat beroep tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • - veroordeelt de korpschef en het Uwv ieder tot een bedrag van € 735,- in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep;
  • - bepaalt dat van het Uwv een griffierecht wordt geheven van € 493,-.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) H.J. Dekker




nk