Centrale Raad van Beroep, 29-01-2015 / 12 -28 AOR


ECLI:NL:CRVB:2015:252

Inhoudsindicatie
Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:589) heeft verweerster een nieuw besluit genomen en appellante in aanmerking gebracht voor een invaliditeitsuitkering. Appellante kan zich hiermee verenigen. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-29
Publicatiedatum
2015-02-04
Zaaknummer
12 -28 AOR
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/28 AOR

Datum uitspraak: 29 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (verweerster)

de Staat der Nederlanden, ministerie van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat mede als partij aangemerkt.

Bij tussenuitspraak van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:589, heeft de Raad verweerster opgedragen de gebreken in de beslissing op bezwaar van 5 december 2011 (bestreden besluit) te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerster op 23 juli 2014 een nieuw besluit genomen.

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, hierop gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 17, eerste en zesde lid, van de Beroepswet (oud), is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar de tussenuitspraak voor de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming.


2. Bij de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat indien de betrokkene, zoals appellante, de leeftijd van 70 jaar reeds heeft overschreden, een juiste toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) vergt dat bij elke aanvraag dient te worden nagegaan of er sprake is van een vóór die leeftijd ingetreden causale arbeidsongeschiktheid

(CRvB 8 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3028). Dat brengt mee dat bij een hernieuwd onderzoek dat is ingediend na het 70ste levensjaar dient te worden beoordeeld of een eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheid mogelijkerwijs vóór die leeftijd is toegenomen. Een dergelijke beoordeling heeft verweerster in het geval van appellante ten onrechte achterwege gelaten. De Raad heeft verweerster opgedragen om dit gebrek te herstellen. In de tussenuitspraak is tevens opgenomen dat op het namens appellante gedane verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), bij de einduitspraak zal worden beslist.


3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft een geneeskundig adviseur van verweerster, dr. G.M. van der Molen, arts, appellante onderzocht en op basis van dat onderzoek een heroverweging verricht. Op basis van deze heroverweging is appellante voor het bereiken van haar 70ste levensjaar voor 20% ongeschikt geacht voor het verrichten van passende arbeid. Bij het besluit van 23 juli 2014 heeft verweerster het namens appellante ingediende bezwaar alsnog gegrond verklaard en appellante met ingang van 1 april 2011, de eerste dag van de maand waarin de hernieuwde aanvraag is ingediend, in aanmerking gebracht voor een invaliditeitsuitkering. Verweerster heeft daarbij een bedrag van € 974,- toegekend als proceskostenvergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting.


4. Namens appellante is te kennen gegeven dat zij zich kan verenigen met het besluit van

23 juli 2014. Verzocht is het beroep gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding in beroep toe te kennen. Daarbij is het verzoek herhaald om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.


5.1.

Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.


5.2.

Gezien overweging 4 kan verder worden vastgesteld dat met het besluit van 23 juli 2014 geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Het geding strekt zich, gelet op artikel 6:19 van de Awb, dus niet mede uit tot dit besluit.


6. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn oordeelt de Raad als volgt.


6.1.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de Mens naar voren komt.


6.2.

In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen vóór 1 februari 2014 (met ingang van die datum wordt uitgegaan van een kortere termijn, zie de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188), is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgehandeld.


6.3.

Met verwijzing naar zijn uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809, is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin pas na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd in de rechterlijke fase, dan komt die overschrijding niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een overschrijding in de rechterlijke fase is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de Raad tot de tussenuitspraak van de Raad ten hoogste twee jaar heeft geduurd en de Raad vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.


6.4.

In het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 mei 2011 tot aan de datum van deze uitspraak zijn drie jaar en acht maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan twee-en-een-half jaar te stellen. De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift op 3 januari 2012 tot de tussenuitspraak van 20 februari 2014 heeft twee jaar en ruim een maand in beslag genomen. De periode waarbinnen na ontvangst van het besluit van 23 juli 2014 uitspraak wordt gedaan, is korter dan een jaar. Dat betekent dat een deel van de overschrijding (ruim een maand) voor rekening van de Staat komt.


6.5.

Volgens de rechtspraak van de Raad is in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt hier een jaar en twee maanden zodat de totale vergoeding wordt vastgesteld op € 1.500,-. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,- en verweerster wordt veroordeeld tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.


7. Ert is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten kunnen worden begroot op € 1.225,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 december 2011;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt verweerster tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 1.000,-;

- bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,-

vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.225,-.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) P.W.J. Hospel




HD