Centrale Raad van Beroep, 29-07-2015 / 13-5520 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:2520

Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang meer.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-29
Publicatiedatum
2015-07-30
Zaaknummer
13-5520 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5520 WIA

Datum uitspraak: 29 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

3 september 2013, 13/638 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.H.M.M. Kusters, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 juni 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster financiële administratie, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 8 december 2011 ziek gemeld wegens tumoren in haar linkerborst. Appellante heeft hiervoor twee operatieve ingrepen ondergaan. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij brief van 6 september 2012 heeft het Uwv aan appellante een Bijstelling plan van aanpak doen toekomen waarin aan appellante in het kader van de ZW re-integratieverplichtingen zijn opgelegd.


1.2.

Bij besluit van 14 januari 2013 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen de Bijstelling plan van aanpak van 30 augustus 2012, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante - kort weergegeven - aangevoerd dat zij zich niet in staat voelt de door het Uwv voorgestelde therapeutische ondersteuning te ondergaan dan wel vrijwilligerswerk van welke aard ook te verrichten. Het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de Bijstelling plan van aanpak is onzorgvuldig tot stand gekomen en haar beperkingen, zoals die bij dat onderzoek zijn vastgesteld, zijn onderschat.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of appellante voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1864) is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.2.

Appellante heeft met het hoger beroep beoogd te bereiken dat zij geen

re-integratie-inspanningen hoeft te verrichten. Nadat appellante hoger beroep had ingesteld, heeft het Uwv bij besluit van 8 november 2013 vastgesteld dat haar recht op ZW-uitkering na 104 weken eindigt en dat, gelet op haar ziekmelding per 8 december 2011, deze uitkering tot en met 4 december 2013 wordt betaald. Dit betekent dat de zogenoemde wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op

5 december 2013 is verstreken. Re-integratieverplichtingen hebben alleen werking gedurende de (verlengde) wachttijd voor de Wet WIA (zie ECLI:NL:CRVB:2014:3956). Voorts wordt vastgesteld dat aan de Bijstelling plan van aanpak op geen enkele wijze uitvoering is gegeven. Zo is er geen maatregel opgelegd in verband met het niet nakomen van

re-integratieverplichtingen. In het midden latend of de brief van 6 september 2012 met als bijlage de Bijstelling plan van aanpak moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, moet onder deze omstandigheden worden vastgesteld dat er voor appellante geen procesbelang meer is als bedoeld in 4.1.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en A.I. van der Kris en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) N. van Rooijen




AP