Centrale Raad van Beroep, 03-02-2015 / 13-2036 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:253

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Door haar weigering medewerking te verlenen aan een huisbezoek, heeft appellante niet voldaan aan de op haar ingevolge artikel 17 van de WWB rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Redelijke grond voor het huisbezoek. Geen zwaarwegende reden die aan onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek in de weg staat. Geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-03
Publicatiedatum
2015-02-04
Zaaknummer
13-2036 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2036 WWB, 13/2037 WWB

Datum uitspraak: 3 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 maart 2013, 12/3507 en 12/3508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 12 december 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [adres 1] (adres van appellante). Uit de relatie van appellante met [naam] (B) zijn twee kinderen geboren. B staat ingeschreven op het adres [adres 2](adres van B).


1.2.

Appellante heeft op 25 november 2011 een aanvraag voor een gemeentelijke tegemoetkoming kosten kinderopvang gedaan. Bij deze aanvraag heeft zij een offerte van [bedrijf] ingediend. Op de offerte staan appellante en Van Beek als ouders vermeld met als woonadres het adres van appellante. Naar aanleiding hiervan heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Appellante is bij brief van

15 februari 2012 opgeroepen voor een gesprek bij DWI op 16 februari 2012 om 11.00 uur. Bij die gelegenheid heeft zij onder meer verklaard dat zij sinds een jaar soms met haar kinderen op haar adres en soms op het adres van B slaapt en sinds januari 2012 elke nacht op zijn adres. Met appellante is overeengekomen dat dezelfde dag tussen 14.30 uur en 14.45 uur een huisbezoek op haar adres wordt afgelegd. Bij aankomst bij haar woning was appellante aanwezig. Een huisbezoek heeft echter niet plaatsgevonden omdat zij haar sleutel in de woning van B had laten liggen. Appellante is vervolgens een herstelmogelijkheid aangeboden door om 16.00 uur in haar woning aanwezig te zijn. De handhavingsspecialisten hebben appellante daar tussen 15.45 uur en 16.15 uur niet aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 februari 2012.


1.3.

Het college heeft bij besluit van 6 maart 2012 de bijstand van appellante met ingang van 16 februari 2012 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, door haar weigering medewerking te verlenen aan een huisbezoek, niet heeft voldaan aan de op haar ingevolge artikel 17 van de WWB rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


1.4.

Bij besluit van 20 april 2012 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 16 februari 2012 tot en met 29 februari 2012 tot een bedrag van € 458,33 van appellante teruggevorderd.


1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 12 juni 2012 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellante tegen het besluit van 6 maart 2012 en het besluit van 20 april 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft - samengevat - aangevoerd dat er geen redelijke grond aanwezig was voor het afleggen van een huisbezoek. Het college heeft zich voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek. Het was voor appellante onmogelijk om op 16 februari 2012 rond 16.00 uur in haar woning aanwezig te zijn in verband met het organiseren van een feest op de school van de kinderen. Door vast te houden aan dit tijdstip en de weigering om verder uitstel voor een huisbezoek te verlenen heeft het college gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het verbod van détournement de pouvoir, het beginsel van een behoorlijke belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode inzake de intrekking van de bijstand loopt van 16 februari 2012 tot en met 6 maart 2012.


4.2.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 4 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5146) vormt het samenstel van de artikelen 17, eerste en tweede lid, en 53a, tweede lid, van de WWB voor het bijstandverlenend orgaan een toereikende wettelijke grondslag voor het afleggen van een huisbezoek als middel ter controle en verificatie van door de betrokkene verstrekte of op andere wijze bekend geworden gegevens.


4.4.

Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2410) kunnen aan het niet of niet langer meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand, indien voor dat huisbezoek, of de voortzetting daarvan, in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de belanghebbende omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand of de omvang daarvan, en deze gegevens niet op een voor belanghebbende minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.5.

De onder 1.2 genoemde concrete feiten en omstandigheden, en dan met name de verklaring van appellante dat zij sinds januari 2012 iedere nacht bij B slaapt, rechtvaardigt de bij het college ontstane twijfel aan de juistheid of volledigheid van de door appellante opgegeven woonsituatie. Die informatie kon niet op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze worden geverifieerd dan door het afleggen van een huisbezoek. Dit betekent dat er voor het college een redelijke grond bestond voor het huisbezoek. De hierover door appellante aangevoerde grond slaagt daarom niet.


4.6.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7234) ligt het, indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, in de risicosfeer van de betrokkene indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Alleen een zwaarwegende reden die aan onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek in de weg staat, kan een rechtvaardigingsgrond zijn voor het niet verlenen van de verlangde medewerking.


4.7.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat in het geval van appellante een dergelijke zwaarwegende reden zich niet voordeed. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt - ook niet met de door haar in beroep overgelegde verklaring van de [school] van 29 januari 2013 - dat haar aanwezigheid op deze school dermate dringend was dat zij niet op 16 februari 2012 tussen 15.45 en 16.15 uur in haar woning aanwezig kon zijn. Uit de overgelegde verklaring blijkt dat appellante op deze school van 15.20 uur tot 18.00 uur een leerkracht heeft geholpen een klas in te richten voor een carnavalsfeest. Uit deze verklaring blijkt niet dat het voor appellante onmogelijk was rond 16.00 uur in haar woning aanwezig te zijn, nog daargelaten of haar aanwezigheid op school als een zwaarwegende reden zoals onder 4.6 genoemd kan worden aangemerkt. Appellante heeft voorts haar onder 3.3 genoemde grond dat het college heeft gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur niet nader onderbouwd zodat deze grond reeds om die reden niet kan slagen.


4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat het college bevoegd was de bijstand van appellante met ingang van 16 februari 2012 in te trekken op de grond dat door schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand met ingang van die dag niet is vast te stellen. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad stelt vast dat appellante tegen de terugvordering geen afzonderlijke beroepsgronden heeft ingediend.


4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat het daartoe strekkende verzoek van appellante wordt afgewezen.


4.10.

Voor zover het verzoek van appellante ziet op een veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt de Raad als volgt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van

26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Die situatie is hier aan de orde. Vanaf de indiening van het eerste bezwaarschrift tot aan deze uitspraak van de Raad zijn nog geen vier jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden om in dit geval af te wijken van de termijn van vier jaar is niet gebleken. Ook dit verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en

E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2015.





(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) O.P.L. Hovens




HD