Centrale Raad van Beroep, 03-02-2015 / 13 -5154 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:254

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering AIO-aanvulling. Woning in Turkije. Overschrijding vermogensgrens.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-03
Publicatiedatum
2015-02-04
Zaaknummer
13 -5154 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5154 WWB

Datum uitspraak: 3 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 september 2013, 13/1927 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Namens appellant is verschenen mr. Arabaci. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft samen met zijn echtgenote over de periode van 2 juni 1991 tot en met

30 juni 2010 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand, ontvangen naar de norm voor gehuwden. Vanaf 1 juli 2010 ontvangt de echtgenote van appellant een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Svb heeft aan appellant met ingang van 1 juli 2010 met toepassing van artikel 47a van de WWB een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend.


1.2.

Op 14 maart 2012 heeft de zoon van appellant een medewerker van de Svb telefonisch gemeld dat zijn ouders op 27 maart 2012 op vakantie gaan naar Turkije en dat zij op 25 september 2012 terugkomen. Zij zouden verblijven in een woning die van zijn opa was en die op naam van zijn vader stond. Naar aanleiding hiervan heeft de Svb bij brief van 16 maart 2012 appellant verzocht het meegestuurde vragenformulier in te vullen, terug te sturen en, indien hij tijdens zijn vakantie verblijft in een eigen koopwoning, dit op het formulier aan te geven. Vervolgens heeft appellant op 23 maart 2012 met een formulier ‘Verblijf buiten Nederland’ aan de Svb gemeld dat hij van 28 maart 2012 tot 26 september 2012 op vakantie buiten Nederland gaat, dat hij zal verblijven op het adres [Adres], [woonplaats 2] (Turkije) en dat hij eigenaar is van de woning op dat adres.


1.3.

Naar aanleiding van het op 14 maart 2012 gevoerde telefoongesprek heeft de Svb tevens een rechtmatigheidsonderzoek aangevraagd in Turkije. Op 30 mei 2012 heeft een buitendienstmedewerker van de Nederlandse Ambassade te Ankara (medewerker) het kadaster van Hacibektaş bezocht en gesproken met de directeur, die mededeelde de medewerker geen informatie te mogen verstrekken. Niettemin raadpleegde de directeur de registers en deelde hij de medewerker mondeling mee dat er zeven registraties op naam van appellant waren, een woning in het dorp Belbarak en zes stukken landbouwgrond met een totale grootte van ongeveer 60.000 m2. De woning noch de landbouwgrond waren waardevol. De registratiedatum lag in 2007. Daarna is de medewerker naar het dorp Belbarak gereden waar hij op aanwijzing van een vrouw een woning aantrof die van appellant zou zijn. De medewerker meende voldoende zekerheid te hebben dat de woning aan appellant toebehoorde omdat hem deze woning was gewezen en hij in de gevel van de woning de letters N. Ş. had gezien waarvan hij vermoedde dat het de initialen van appellant waren. Een makelaar in Nevşehir heeft nog dezelfde dag de waarde van de woning inclusief erf op basis van de beschikbare of de geschatte gegevens getaxeerd op 80.000 TL, omgerekend € 34.928,-. De landbouwgrond kon wegens onvoldoende gegevens niet worden getaxeerd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 5 juni 2012.


1.4.

Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft de Svb bij twee afzonderlijke besluiten van 30 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 februari 2013 (bestreden besluit), de AIO-aanvulling met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken en de over juli 2010 tot en met 26 juni 2012 ten onrechte ontvangen AIO-aanvulling tot een bedrag van € 5.205,44 van appellant en zijn echtgenote teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant een woning in het buitenland bezit waarvan de waarde ruimschoots boven de geldende vermogensgrens ligt, zodat appellant geen recht had op de AIO-aanvulling.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Svb heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dit geldt ook bij de intrekking van een AIO-aanvulling. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 oktober 2012.


4.2.

Het besluit tot intrekking van een AIO-aanvulling is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op dit bestuursorgaan rust.


4.3.

Appellant bestrijdt dat er voldoende grondslag is om aan te nemen dat hij bezittingen in het buitenland heeft. Het rapport van 5 juni 2012 kan daartoe niet dienen, omdat er geen officiële stukken zijn die aantonen dat appellant bezittingen heeft in het buitenland.


4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De Svb heeft met name op grond van de door appellant zelf verstrekte informatie ervan mogen uitgaan dat appellant vermogen in de vorm van onroerend goed in het buitenland heeft. Appellant heeft niet alleen op het in 1.2 vermelde formulier ‘Verblijf buiten Nederland’ vermeld dat hij een eigen woning bezit. Ook op het op

2 november 2012 ondertekende aanvraagformulier voor een nieuwe AIO-aanvulling heeft appellant aangekruist dat hij een woning bezit, waarvan de waarde omgerekend € 7.890,- bedraagt. De eerst ter zitting betrokken stelling dat appellant onvoldoende heeft begrepen wat hij op de formulieren heeft ingevuld, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat het woningbezit in Turkije wordt bevestigd door wat de zoon van appellant op 14 maart 2012 in het in 1.2 vermelde telefoongesprek heeft verklaard. Daarnaast heeft de dochter van appellant op 23 oktober 2012 in een telefoongesprek, naar aanleiding van de mededeling dat de

AIO-aanvulling niet meer wordt betaald omdat haar ouders onroerend goed in Turkije ter waarde van € 34.000,- bezitten, te kennen gegeven dat de waarde van de woning veel minder is en onder de vermogensgrens blijft. Dat appellant een woning in Turkije bezit, heeft zij niet ontkend. De stelling van appellant dat de dochter slechts heeft bedoeld te zeggen dat de waarde van alle woningen in het dorp minder bedragen dan de vermogensgrens, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Voorts wordt het bezit van de woning ook bevestigd door de officieuze mededeling van de directeur van het kadaster dat op de naam van appellant een woning staat geregistreerd in het register.


4.5.

Anders dan appellant heeft betoogd, heeft de Svb ervan mogen uitgaan dat het onderzoek in Turkije betrekking heeft gehad op de woning die aan appellant zou toebehoren. Bij het onderzoek is uitgegaan van het adres dat appellant zelf op het formulier ‘Verblijf buiten Nederland’ heeft opgegeven. Op aanwijzing van een buurtbewoonster is op dit adres een woning aangetroffen waarvan de medewerker redelijkerwijs heeft kunnen aannemen dat dit de woning is die aan appellant toebehoort. Met de enkele stelling dat in het betreffende dorp meer mensen wonen die de naam [naam S] dragen, heeft appellant onvoldoende het standpunt van de Svb weerlegd dat het onderzoek de juiste woning betrof.


4.6.

Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de vaststelling van de waarde van de woning door de plaatselijke makelaar. Uitgaande van een getaxeerde waarde van de woning van omgerekend € 34.928,-, heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant beschikte over een vermogen boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Gelet op de op 5 juni 2012 getaxeerde waarde van de woning, is niet aannemelijk dat de waarde van de woning in de periode op en na 1 juli 2010 die vermogensgrens niet overschreed. De Svb heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant over de gehele hier in geding zijnde periode beschikte over een vermogen boven het vrij te laten vermogen, zodat hij geen recht had op een AIO-aanvulling.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aanvallen uitspraak dient te worden bevestigt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) O.P.L. Hovens


HD