Centrale Raad van Beroep, 30-07-2015 / 13-6839 AW-T


ECLI:NL:CRVB:2015:2548

Inhoudsindicatie
Beoordeling. Bij het nader besluit heeft appellant (de korpschef van politie) een - met voorbeelden aangevulde - beoordeling vastgesteld onder handhaving van de beoordelingen op de onderscheiden competenties. Appellant is in deze beoordeling noch in het nader besluit ingegaan op de in bezwaar aangevoerde gronden en de voorbeelden die betrokkene heeft gegeven ter illustratie van zijn standpunt dat zijn functioneren op de genoemde competenties op een te laag niveau is gewaardeerd. Aldus heeft appellant aan de aangevallen uitspraak in zoverre geen juiste uitvoering gegeven, dat het nader besluit nog steeds niet het resultaat is van een volledige heroverweging van de beoordeling aan de hand van het bezwaar van appellant en aldus evenmin afdoende is gemotiveerd. Opdracht tot herstel gebrek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-07-30
Publicatiedatum
2015-07-31
Zaaknummer
13-6839 AW-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6839 AW-T, 14/968 AW-T

Datum uitspraak: 30 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

26 november 2013, 13/1852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M. Colenbrander, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een besluit van 3 februari 2014 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/5222 AW, 13/5258 AW,

13/5259 AW, 14/2725 AW, 14/3491 AW en 14/4267 AW, plaatsgevonden op 7 mei 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen en

drs. M.C. Schnoing-Gels. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Colenbrander.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is sinds september 2009 werkzaam als medewerker basispolitiezorg A

(schaal 7) in de voormalige politieregio Gelderland-Midden. Op 26 oktober 2012 is over het functioneren van betrokkene in de periode van 23 juni 2011 tot 26 oktober 2012 een beoordeling opgemaakt. Volgens die beoordeling functioneerde betrokkene op zes van de negen competenties op basisniveau (niveau 1) en op de overige drie op vervolgniveau

(niveau 1 en 2). Het totaaloordeel is ‘voldoende’, wat volgens de toelichting betekent dat de competenties overwegend niveau 1 hebben en dat er geen competentie is onder niveau 1. Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de beoordelingsautoriteit de beoordeling vastgesteld.


1.2.

Bij besluit van 27 juni 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen de beoordeling ongegrond verklaard en de beoordeling ongewijzigd gehandhaafd.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de

artikelen 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet berust op een volledige heroverweging van het primaire besluit en evenmin berust op een deugdelijke motivering.


3. Bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2014 (nader besluit), die ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, heeft appellant een aangevulde beoordeling vastgesteld. Betrokkene kan zich met deze beoordeling evenmin verenigen. De Raad zal dit besluit met toepassing van de artikel 6:19 en 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling betrekken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Daarom heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand gelaten.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de beantwoording van de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust.


4.3.

In de beoordeling van betrokkene is zijn functioneren op alle competenties en over het geheel voldoende en dus positief gewaardeerd. Zoals appellant terecht heeft betoogd, lag het daarom in beginsel op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat deze beoordeling niet op voldoende gronden berust. De Raad stelt vast dat betrokkene daartoe een aanzet heeft gegeven door in zijn bezwaarschrift de beoordelingen van zijn functioneren op de competenties burgergerichtheid, inschattingsvermogen, zelfbeheersing, vakkundigheid, samenwerking, organisatiecommitment en integriteit gemotiveerd te betwisten en voorbeelden te geven waaruit zou blijken dat die competenties op te laag niveau zijn gewaardeerd. In het kader van de heroverweging van de beoordeling had appellant hierop moeten ingaan en uiteen moeten zetten waarom de beoordeling niettemin wordt gehandhaafd. Dit heeft appellant nagelaten.


4.4.

Uit 4.3 volgt dat de Raad, zij het op andere gronden, met de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust. Aangezien dit gebrek in beroep niet is hersteld, is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte niet in stand heeft gelaten.


4.5.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt.


5.1.

Bij het nader besluit heeft appellant een - met voorbeelden aangevulde - beoordeling vastgesteld onder handhaving van de beoordelingen op de onderscheiden competenties. Appellant is in deze beoordeling noch in het nader besluit ingegaan op de in bezwaar aangevoerde gronden en de voorbeelden die betrokkene heeft gegeven ter illustratie van zijn standpunt dat zijn functioneren op de genoemde competenties op een te laag niveau is gewaardeerd. Aldus heeft appellant aan de aangevallen uitspraak in zoverre geen juiste uitvoering gegeven, dat het nader besluit nog steeds niet het resultaat is van een volledige heroverweging van de beoordeling aan de hand van het bezwaar van appellant en aldus evenmin afdoende is gemotiveerd.


5.2.

De Raad zal daarom met toepassing van artikel 8:51d van de Awb appellant opdragen de gebreken in het besluit van 3 februari 2014 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.












BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 3 februari 2014 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) B. Rikhof





IJ