Centrale Raad van Beroep, 03-02-2015 / 13 - 5477 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:259

Inhoudsindicatie
Periode 1. Weigering bijstand. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de aan het vermogen toe te rekenen voertuigen. Periode 2. Appellanten hun vermogenspositie onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt, gelet op de overdracht van de Hobby en de onduidelijkheden over de aanschaf en de waarde van de voertuigen waarover appellanten de beschikking hadden. Schending inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-03
Publicatiedatum
2015-02-04
Zaaknummer
13 - 5477 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5477 WWB, 13/5478 WWB

Datum uitspraak: 3 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

28 augustus 2013, 13/37 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante](appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Enschede

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.P.M. Spoolder.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 1 december 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Naar aanleiding van een melding in het kader van het zogenoemde RDW-Project dat appellante een bedrijfsbus op naam had staan en dat zij vanaf 1 december 2008 meerdere kentekens op naam heeft gehad, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer gegevens opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer (RDW). Uit deze gegevens is naar voren gekomen dat op 23 augustus 2011 op naam van appellante nog twee kentekens geregistreerd stonden, namelijk sinds 29 september 2010 van een personenauto, Mercedes-Benz 230E (Mercedes) met een waarde van € 1.500,-, en sinds 17 mei 2011 van een caravan, merk Hobby 560 UF (Hobby), met een waarde boven € 10.000,-. Op die datum stond op naam van appellant sinds 21 april 2010 nog geregistreerd het kenteken van een bedrijfsbus,

Mercedes-Benz 639/4, (bedrijfsbus). Naar aanleiding van deze gegevens is appellant op

29 november 2011 gehoord. Over de bedrijfsbus heeft appellant verklaard dat hij daar zelf in rijdt omdat zijn scootmobiel daarmee vervoerd kan worden. Zijn invalidenparkeerkaart is aan deze bedrijfsbus gekoppeld. De dochter van appellanten heeft de bedrijfsbus gekocht, waarvoor zij een bedrag van ongeveer € 6.000,- heeft geleend en vervolgens aan appellant geschonken. De bedrijfsbus is op naam van appellant geregistreerd omdat hij als invalide fiscaal voordeel heeft met betrekking tot de wegenbelasting. Over de op naam van appellante geregistreerde Hobby heeft appellant verklaard dat zij deze hebben geleend van zijn broer. Omdat appellante de Hobby verzekerd had, is deze ook op haar naam geregistreerd. Op

28 november 2011 heeft de broer van appellant de Hobby weer verkocht.


1.3.

Vervolgens heeft het college bij brief van 27 december 2011 appellanten verzocht binnen twee weken nadere gegevens over de aanschaf van de op hun naam geregistreerde voertuigen en voorts hun bankafschriften vanaf 1 december 2008 over te leggen. Omdat appellanten niet tijdig aan dit verzoek hebben voldaan, heeft het college bij besluit van 25 januari 2012 het recht op bijstand met ingang van 25 januari 2012 opgeschort. Bij besluit van 6 maart 2012 heeft het college de bijstand met ingang van 25 januari 2012 ingetrokken omdat appellanten ook niet binnen de gegeven hersteltermijn de gevraagde stukken hebben ingeleverd. Met ingang van 15 november 2012 heeft het college appellanten opnieuw bijstand verleend.


1.4.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de Rapportage Handhaving van

22 december 2011. Daaruit komt naar voren dat appellante, naast de in 1.2 genoemde Hobby, in de periode van 22 januari 2010 tot 17 mei 2011 een caravan, Fendt 540 TF Saphir (Fendt), op haar naam heeft gehad, en vóór die periode nog verschillende andere personenauto’s. Uit informatie van Twenteland Caravans is verder gebleken dat de Fendt, met een waarde van

€ 12.950,-, op 17 mei 2011 zonder bijbetaling is ingeruild tegen de Hobby. De daarvan opgemaakte factuur staat op naam van appellant en de verzekering staat op naam van appellante. Uit informatie van [naam S] Caravans ([naam S]), bij welk bedrijf de Fendt is gekocht, komt naar voren dat appellanten op 1 december 2008 eigenaar waren van een op 22 augustus 2008 aangeschafte caravan, Dethleffs Beduin 515 (Dethleffs). De koopprijs bedroeg € 14.500,- en is voor een gedeelte in termijnen betaald. De Dethleffs is op 9 juni 2009 met bijbetaling van

€ 2.500,- ingeruild voor de hiervoor genoemde Fendt. Volgens [naam S] zijn op verzoek van appellanten de aankoopnota’s op naam van de schoonzoon van appellanten gezet. Bovendien is de Dethleffs tot de inruil op 9 juni 2009 en de Fendt tot het moment van volledige afbetaling van de koopprijs op 22 januari 2010 op naam van [naam S] geregistreerd gebleven. In het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand heeft appellant op 12 juni 2012, ter aanvulling op de reeds uit het onderzoek naar voren gekomen informatie, nog verklaard dat hij, nadat hij de tot 28 april 2009 op zijn naam geregistreerde Mercedesbus total loss had gereden, van de verzekering een schade-uitkering van € 3.000,- heeft ontvangen, waarmee hij weer een nieuwe auto had aangeschaft.


1.5.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

20 maart 2012, vervangen door het besluit van 11 mei 2012, de bijstand van appellanten over de periode van 1 december 2008 tot en met 24 januari 2012 in te trekken en bij besluit van

22 maart 2012 de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 56.660,27 van appellanten terug te vorderen. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat appellanten geen gegevens hebben verstrekt over de aanschaf, financiering en de waarde van de diverse voertuigen waarover zij in deze periode hebben beschikt. Op dezelfde grond heeft het college bij besluit van

21 juni 2012 een op 26 maart 2012 ingediende nieuwe aanvraag van appellanten om bijstand afgewezen.


1.6.

Bij besluit van 27 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de intrekkingsbesluiten van 6 maart 2012 en 11 mei 2012 en tegen het afwijzende besluit van 21 juni 2012 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 22 maart 2012 heeft het college niet-ontvankelijk verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 1 december 2008 tot

28 november 2011 (eerste periode), en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recht over de eerste periode niet is vast te stellen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellanten gedurende deze periode beschikten over vermogen in de vorm van diverse voertuigen dat de voor hen geldende vermogensgrens overschreed, zodat dit vermogen in de weg stond aan bijstandsverlening gedurende deze periode. Op die grond had het college het recht op bijstand van appellanten over die periode moeten en kunnen vaststellen, namelijk op nihil. Ten aanzien van de periode van 28 november 2011 tot en met 24 januari 2012 (tweede periode) is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat er in die periode geen caravan meer op naam van appellanten geregistreerd staat en appellanten hun vermogenspositie verder niet inzichtelijk hebben gemaakt.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen betreffende het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand heeft gelaten en voor zover het beroep tegen de intrekking ten aanzien van de tweede periode ongegrond is verklaard. Appellanten hebben in essentie hun in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat zij hun inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat zij over de gehele periode niet over vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens hebben beschikt. Appellanten zijn niet als eigenaren van de caravans en de bedrijfsbus aan te merken en de overige op hun naam geregistreerde personenauto’s vertegenwoordigen een hele lage waarde vanwege hun ouderdom. Bovendien wijzen appellanten er in dit licht op dat het college hun vanaf 15 november 2012 weer bijstand heeft verleend terwijl het kenteken van de bedrijfsbus nog steeds op naam van appellant geregistreerd staat.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Eerste periode van 1 december 2008 tot 28 november 2011


4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellanten in deze periode achtereenvolgens de beschikking hebben gehad over drie caravans, met een aankoop- of inruilwaarde zoals onder 1.2 en 1.4 is vermeld en dat deze caravans behoorden tot hun vermogen. Vanaf

22 januari 2010 tot 28 november 2011 hebben achtereenvolgens de Fendt en de Hobby op naam van appellante geregistreerd gestaan en stond ook de aankoopfactuur en de verzekering van de Hobby op naam van appellante. Het gegeven dat een kentekenbewijs van een voertuig op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit voertuig een bestanddeel vormt van het vermogen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Appellanten zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Voor zover appellanten het verzekeren als reden voor de registratie op naam van appellante hebben aangevoerd, is dit onvoldoende zwaarwegend om de caravans niet tot het vermogen van appellanten toe te rekenen. Verder is van belang, zoals in 1.4 is weergegeven, dat de kentekenbewijzen van de Dethleffs en de Fendt in de periode van 1 december 2008 tot

22 januari 2010 op naam van [naam S] stonden geregistreerd omdat nog niet de gehele

verkoop- respectievelijk inruilprijs was voldaan. Dat appellanten in dat kader naar voren hebben gebracht dat de afbetalingen in termijnen door de schoonzoon zijn gedaan maakt niet dat er aanleiding is voor het oordeel dat appellanten niet hebben kunnen beschikken over de caravans. Hierbij heeft de rechtbank terecht betekenis toegekend aan de door [naam S] verstrekte informatie over de aankoop en financiering van de caravans. Daarbij wijst de Raad nog op de inconsistentie van de op 26 maart 2012 en 12 juni 2012 door appellante afgelegde verklaring daar waar zij enerzijds verklaart zelf de maandelijkse aflossingen te hebben voldaan en anderzijds stelt dat haar schoonzoon hiervoor heeft zorggedragen. Evenmin komt aan het gegeven dat de aankoopfacturen van de Dethleffs en de Fendt op naam van de schoonzoon van appellanten zijn gesteld, in het licht van de gegeven omstandigheden doorslaggevende betekenis toe.


4.2.

Het in 4.1 vermelde uitgangspunt in geval van een registratie van een kentekenbewijs op naam van een betrokkene gaat in gelijke zin op voor de bedrijfsbus. Appellanten zijn er ook wat betreft dit voertuig niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De stelling dat de dochter de aankoop van de bedrijfsbus heeft gefinancierd, nog los van de vraag of dit voldoende aannemelijk is gemaakt, in samenhang met de stelling dat de registratie louter was gebaseerd op de invalidenparkeerkaart of voordeel voor de wegenbelasting, is daarvoor onvoldoende. Hierbij heeft de rechtbank terecht nog van belang geacht dat zowel de aankoopfactuur als de verzekering van de bedrijfsbus op naam van appellante stond. Appellanten worden bij gebreke van voldoende, verifieerbare gegevens dan ook niet gevolgd in hun standpunt dat zij niet over de bedrijfsbus hebben kunnen beschikken omdat zij weliswaar de juridische eigenaren waren maar hun dochter en schoonzoon feitelijk de beschikking hadden over de bedrijfsbus.


4.3.

Gelet op dat wat in 4.1 en 4.2 is overwogen, gevoegd bij de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak genoemde zeven auto’s die gedurende korte of langere tijd op naam van appellanten geregistreerd hebben gestaan, en gelet op wat in 1.5 over het uitgekeerde schadebedrag is vermeld, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat appellanten in de eerste periode over vermogen boven de vermogensgrens hebben beschikt, wat aan bijstandsverlening in de weg heeft gestaan. Appellanten hebben, anders dan zij hebben aangevoerd, hun inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de aan hun vermogen toe te rekenen voertuigen.


Tweede periode van 29 november 2011 tot 25 januari 2012


4.4.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellanten hun vermogenspositie onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt, gelet op de overdracht van de Hobby op

29 november 2011 en de onduidelijkheden over de aanschaf en de waarde van de voertuigen waarover appellanten de beschikking hadden. In zoverre hebben appellanten dan ook hun inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat het college appellanten met ingang van 15 november 2012 weer bijstand heeft verleend, staat hier los van omdat, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, met ingang van die datum de gewijzigde vermogenspositie van appellanten niet langer aan bijstandverlening in de weg stond.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en

E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) O.P.L. Hovens



HD