Centrale Raad van Beroep, 28-01-2015 / 12/3256 WMO-G


ECLI:NL:CRVB:2015:2595

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum hulp bij het huishouden. Naar aanleiding van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:2923) heeft het college het gebrek in het bestreden besluit niet hersteld. Het dossier bevat voldoende gegevens op grond waarvan het voor de Raad mogelijk is om zelf in de zaak te voorzien. Appellant ondervond over de periode van 22 oktober 2008 tot 31 mei 2011 beperkingen die gecompenseerd moeten worden. Nu het college appellant voor de periode van 31 mei 2011 tot en met 30 mei 2012 hulp bij het huishouden heeft toegekend voor 3,5 uur per week en appellant te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaren te hebben zal bij dit aantal uren worden aangesloten. Dat betekent dat aan appellant hulp bij het huishouden wordt toegekend voor 3,5 uur per week over de periode van 22 oktober 2008 tot 31 mei 2011.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-08-04
Zaaknummer
12/3256 WMO-G
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/3256 WMO-G

Datum uitspraak: 28 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 mei 2012, 11/416 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen een tussenuitspraak gedaan op 27 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2923 (tussenuitspraak). Aan het college is opgedragen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Na de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 7 oktober 2014 de Raad bericht over de wijze waarop het college aan die opdracht uitvoering heeft gegeven.

Bij brief van 19 november 2014 heeft mr. M. de Miranda, advocaat, de reactie van appellant op voorgenoemde brief aan de Raad gezonden.

De Raad heeft bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1. Voor een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het college ten onrechte de ingangsdatum voor de hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft vastgesteld op 31 mei 2011 en ten onrechte niet heeft beoordeeld of appellant in verband met zijn beperkingen ook in de voorafgaande periode met ingang van de datum van zijn aanvraag, op 22 oktober 2008, in aanmerking diende te komen voor hulp bij het huishouden.


1.2.

Bij brief van 7 oktober 2014 heeft het college zich weer op het standpunt gesteld dat appellant niet eerder dan 31 mei 2011 in aanmerking kwam voor hulp bij het huishouden, omdat het vrijwel onmogelijk is om te beoordelen hoe de medische situatie van appellant in het verleden was. Wel is gebleken dat vanaf begin 2008 steeds sprake is geweest van de mogelijkheid voor appellant om zich voor zijn rugklachten te laten behandelen en daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Dit betekent dat er geen toegang tot de Wmo was. Gelet op de mogelijkheid voor behandeling kan immers niet worden vastgesteld of de gevraagde voorziening langdurig noodzakelijk was. Hulp bij het huishouden kan daarom alleen voor een kortere afzienbare periode, voor de duur van de behandeling, worden toegekend.


1.3.

Appellant heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat uit het aan het bestreden besluit ter grondslag gelegde onderzoeksrapport van medische adviseur J. Kampschreur van 14 juli 2011, blijkt dat hij over de periode van 22 oktober 2008 tot 31 mei 2011 in aanmerking moet worden gebracht voor hulp bij het huishouden. Verder heeft appellant gesteld schade te hebben geleden tot een bedrag van € 4.553,01 als gevolg van over voormelde periode ingekochte zorg.


2. De Raad oordeelt als volgt.


2.1

De Raad stelt voorop dat de medisch adviseur Kampschreur in zijn advies van

14 juli 2011, waarbij onder meer het medisch advies van B. Klink, arts, van 31 mei 2011 is betrokken. Heeft vastgesteld dat appellant ten gevolge van een rugaandoening langdurige beperkingen heeft waardoor zware belasting niet mogelijk is. In 2008 is appellant aan zijn rug geopereerd maar na die operatie is de belastbaarheid van de rug zeer beperkt gebleven. Er worden nog onderzoeken verricht die moeten uitwijzen welke behandelmogelijkheden er voor de rugaandoening zijn. Van een revalidatietraject valt zeker verbetering te verwachten maar dit zal gezien de huidige beperkingen, lange tijd, minimaal één jaar, in beslag nemen. In hoeverre verbetering mogelijk is valt niet te voorspellen.


2.2.

Onder verwijzing naar het oordeel van de Raad zoals neergelegd in de tussenuitspraak valt gelet op 2.1 niet in te zien dat het voor het college niet mogelijk was om door Kampschreur te laten beoordelen hoe de medische situatie van appellant in de periode van

22 oktober 2008 tot 31 mei 2011 was alsmede vast te stellen welke concrete beperkingen appellant in die periode als gevolg van zijn rugklachten ondervond bij het verrichten van huishoudelijk werk. Dit klemt te meer nu aan appellant in de periode van 7 november 2007 tot en met 6 februari 2008 en van 31 mei 2011 tot en met 30 mei 2012 wel huishoudelijk hulp is toegekend. Het nadere standpunt van het college met betrekking tot een korte afzienbare periode valt hiermee ook niet te rijmen. Voorts valt het standpunt van het college dat de hulp bij het huishouden over deze periode niet kan worden toegekend, omdat in de situatie van appellant de hulp bij het huishouden alleen kan worden toegekend voor een kortere afzienbare periode, niet te rijmen met de omstandigheid dat het college appellant in verband met beperkingen als gevolg van zijn rugklachten wel heeft geïndiceerd voor hulp bij het huishouden over de periode van 7 november 2007 tot en met 6 februari 2008 en over de periode van 31 mei 2011 tot en met 30 mei 2012. Het college heeft het gebrek aan het bestreden besluit daarom niet geheeld met de brief van 7 oktober 2014.


2.3.

Het voorgaande betekent, dat het college het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. De Raad acht het, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden alsmede het tijdsverloop, niet raadzaam om weer een tussenuitspraak te doen waarbij het college de gelegenheid wordt geboden om het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft te herstellen. De Raad stelt tevens vast dat het dossier voldoende gegevens bevat op grond waarvan het voor de Raad mogelijk is om zelf in de zaak te voorzien. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, en het bestreden besluit, voor zover daarbij aan appellant over de periode van 22 oktober 2008 tot 31 mei 2011 geen hulp bij het huishouden is toegekend, zullen worden vernietigd.


2.4.

De Raad is van oordeel dat uit hetgeen overwogen in 2.1 volgt dat appellant over de periode van 22 oktober 2008 tot 31 mei 2011 beperkingen ondervond die gecompenseerd moeten worden. Nu het college appellant voor de periode van 31 mei 2011 tot en met

30 mei 2012 hulp bij het huishouden heeft toegekend voor 3,5 uur per week en appellant te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaren te hebben zal bij dit aantal uren worden aangesloten. Dat betekent dat aan appellant hulp bij het huishouden wordt toegekend voor

3,5 uur per week over de periode van 22 oktober 2008 tot 31 mei 2011.


2.5.

Ten aanzien van de door appellant gevorderde schadevergoeding stelt de Raad vast dat appellant heeft verwezen naar overzichten van de over de periode van 22 oktober 2008 tot en met 23 december 2011 door zijn zorgverleners aan zorgverlening bestede tijd en gereden kilometers. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant hiermee getracht de door hem ingekochte zorg te verantwoorden. Het college dient zich echter hierover nog uit te laten en zal de overgelegde overzichten moeten betrekken bij de verantwoording van de over de periode van 22 oktober 2008 tot 31 mei 2011 door appellant ingekochte hulp bij het huishouden. Het staat dus nog niet vast dat appellant schade lijdt. Aan een beoordeling van het schadeverzoek kan daarom niet worden toegekomen.


3. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar en op € 1.715,- in hoger beroep.


4. Uit 2.5 volgt dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van schadevergoeding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

14 december 2011 ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2011 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover daarbij aan appellant over de periode van 22 oktober 2008 tot

31 mei 2011 geen hulp bij het huishouden is toegekend;

  • - herroept het primaire besluit van 9 september 2009 en bepaalt dat aan appellant over de periode van 22 oktober 2008 tot 31 mei 2011 hulp bij het huishouden wordt toegekend voor 3,5 uur per week;
  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in bezwaar en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.695,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep van in totaal € 115,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) M.P. Ketting




AP